
Bijna dagelijks vraagt hij me, op of rond het Centraal Station, om een financiële bijdrage. Elke keer heeft hij er een ander verhaal bij: hij komt net te kort voor die onontbeerlijke overnachting bij het Leger des Heils, hij moet een tandheelkundige behandeling bekostigen of hij komt slechts een paar eurootjes te kort voor de trein naar Rotterdam, alweer hij een sollicitatiegesprek heeft. Bij die laatste keer was ik nog zo snugger om te vragen om wat voor baan het ging want gezien zijn uiterlijk (ongewassen, ongeschoren, gescheurde kleding, blote voeten in sandalen) zou hij hooguit in aanmerking komen voor een functie als figurant in een film over zwervers. Maar omdat ik nu eenmaal een watje ben (en weet dat hij vaak buiten slaapt) geef ik hem meestal wat hij vraagt en de kostelijke grimas op zijn gezicht verraadt dat hij zich heus wel bewust is van het feit dat ik me besef dat die centen maar één bestemming hebben, namelijk eentje met een behoorlijk promillage.
Zo nu en dan (als ik er écht helemaal geen zin in heb) probeer ik zijn blik te vermijden. Ik ben een slecht acteur, maar acteer inmiddels vrij geloofwaardig een mobiel bellende man die bijna te laat is voor zijn werk. Hij heeft echter weinig ontzag voor mijn acteerprestaties, want met een korte sprint verschijnt hij keer op keer onvermijdelijk in mijn blikveld. Hij begroet me dan als een heuse vriend (al voel ik me persoonlijk meer een sponsor) en weet dat ik vanaf dat moment geen kant meer op kan. Maar gisteren had ik hem tuk. Ik denk dat ik een fractie van een seconde sneller was dan hij, toen ik hem, mijn kleding aftastend naar een denkbeeldige ‘vergeten’ portemonnee, om twee euro vroeg voor een pak melk. Hij was met stomheid geslagen en vergat zijn veroveringsglimlach. Aan de razendsnelle verdwijntruc die toen volgde kan Hans Klok een puntje zuigen.