Sinds kort heb ik een hond, nou ja tijdelijk dan, want het is een logeerhond. Dat verandert niets aan het feit dat hij het bijzonder op prijs stelt om met enige regelmaat uitgelaten te worden. En dus beschik ik tegenwoordig over poepzakjes in XXl-formaat en slof ik, vaker dan me lief is, over alle windstreken van dit eiland. Een van de weinige plekken waar ik het beest in de late avond kan laten rennen is de parkeerplaats, met aansluitend een voetbalveldje, achter de Blekersdijk. Terwijl de olijke viervoeter zich uitleeft met een zojuist gevonden stok, verzink ik in gemijmer over het gebrek aan dit soort plekjes in de binnenstad. Die overpeinzing wordt cru onderbroken door een heerschap in uniform. ,,Zeg, wilt u die hond onmiddellijk vastmaken!,” blaft hij. Ik leg de man uit dat dit de enige plek en het enige tijdstip zijn dat ik de hond even kan laten uitrazen, maar dat pleidooi maakt weinig indruk. Hij trekt pet, jasje en hangsnor recht en zegt op strenge toon: ,,U ziet toch wel dat dit een kinderspeelplaats is?” De man is duidelijk trots op zijn gevatte repliek en laat een stilte vallen om zijn woorden kracht bij te zetten. Ik zeg: ,,Hallo Sherlock, het is bijna twaalf uur ’s nachts. Alle kindjes liggen nu op één oor, dus u kunt niet beweren dat ik hier iemand stoor.” Dat is wel héél veel informatie in één keer en het rijmt per ongeluk ook nog, maar bromsnor kan er niet om lachen. ,,Voor deze keer zal ik het door de vingers zien, maar laat het niet wéér gebeuren.” Hij kucht en loopt weg. Een tiental meters verderop blijft hij demonstratief staan om er zeker van te zijn dat ik de hond niet weer loskoppel. Ik zwaai nog even, maar in plaats van terug te zwaaien draait hij zich om en vertrekt. De hond kijkt hem na en kijkt mij vervolgens aan. ,,Da’s maf”, zegt hij. Dat laatste zal ik me wel hebben ingebeeld. Het zal wel ‘waf waf’ geweest zijn. Ik had dat derde wijntje ook nooit moeten nemen.