Maarten Verhoef vertrekt als directeur van Kunstmin en na het lezen van het interview (gisteren in AD De Dordtenaar) begrijp ik nóg beter waarom er ‘aan de gemeentelijke kant’ helemaal niemand ‘een rouwmomentje’ heeft ingelast. Laten we zeggen dat het voor beide partijen beter is dat Maarten voortaan in zijn woonplaats Amsterdam blijft.
Hou me ten goede, Maarten is een vriendelijk mens en ongetwijfeld ook een vakkundig theaterman, maar tussen hem en Dordt wilde het de afgelopen jaren maar niet vlotten. Natuurlijk noemt Maarten Dordrecht ‘een parel van een stad’ en Kunstmin ‘een grande dame’, maar dat zijn volgens mij hooguit lieve en vooral beleefde woordjes van de minnaar die in de ochtendsponde ineens tot de ontdekking komt dat hij weliswaar een plezierige nachtje beleefd heeft, maar dan wél met de verkeerde bedpartner. ,,Shit, straks wordt ze wakker en moet ik gaan zeggen dat ik eigenlijk niet écht van haar hou.’’
,,Dordt is prachtig, maar Dordt is ook de Schoenenreus… een MBO-stad’’, zegt Verhoef, waarmee hij eigenlijk aangeeft dat je in deze crisisvolle tijden in deze stad vooral ‘plat’ moet programmeren om de stoeltjes in je theaterzaal een beetje warm te houden. En eerlijk gezegd heeft hij nog gelijk ook: Dordt is nu eenmaal meer een stad van de André’s (Van Duin, Rieu, Hazes) dan van het moderne toneel of de moderne dans. Natuurlijk is er in deze stad heus wel een publiek voor ‘artistiek inhoudelijke programma’s (niet mijn woorden, maar die van Maarten) maar naar verhouding is dat een relatief klein publiek. En laat dat nou nét die groep zijn waar Maarten de meeste affiniteit mee heeft. Dus moet je constateren dat de theaterdirecteur al te lang in het verkeerde bedje sliep. Ach, liefde kun je nu eenmaal niet afdwingen en het is voor beide partijen (Maarten en de ‘Grande Dame’) dan ook maar beter dat ze er een punt achter zetten, voordat er met servies gesmeten wordt. Over de toekomst van Kunstmin (na de verbouwing ook organisatorisch verzelfstandigd) maak ik me geen zorgen. Er staan vast al héél veel nieuwe minnaars in de rij.
