
Op de Wantijdijk raakte ik woensdagochtend in gesprek met een oude man wiens hond het goed kon vinden met mijn Blafmans. Zijn ‘lichte’ accent verraadde dat zijn wiegje elders stond. Ik vroeg er niet naar, maar toen ik hem liet weten dat Blafmans een Bulgaars ‘allegaartje’ is, vertelde hij me dat zijn hond uit Hongarije afkomstig is. ,,Ikzelf ook trouwens’’, zo voegde hij toe. ,,Gevlucht destijds, na de Russische inval in 1956. Zijn hond, zo bleek, heet Puskás (vernoemd naar de Hongaarse Cruyff, zeg maar) en zo kwam ons gesprek automatisch uit op voetbal. Ik vertelde hem dat ik al meningmaal geschreven heb over de in Hongarije geboren joodse voetbaltrainer Arpad Weisz, die Inter en Bologna in de jaren dertig de landstitel bezorgde. Arpad ‘belandde’ eind 1939 in Dordrecht omdat hij in Italië, als gevolg van Mussolini’s rassenwetten, niet meer mocht werken. Hier kon hij aan de slag bij het destijds in degradatienood verkerende DFC, dat hij wist te behouden voor de Eerste Klasse. Korte daarna werd hem ook in Nederland (inmiddels bezet door de Duitsers) een ‘Berufsverbot’ opgelegd. Arpads ‘Dordtse kunstje’ bleek tevens zijn zwanenzang, want in augustus 1942 werd de familie Weisz, vanaf het Betlehemplein in Dordrecht weggevoerd naar Auswitsch, alwaar hij anderhalf jaar later op 47-jarige leeftijd het leven liet. Hij moet toen geweten hebben dat zijn vrouw en kinderen daar al bij aankomst vergast waren.
,,In Dordt hebben we sinds kort zelfs een Arpad Weiszpad… op de Essenhof’’, zo voegde ik toe. Dat laatste wist hij niet: ,,Maar ik ben daar wél trots op, want deze man is écht een legende in mijn land… vergelijk het met Rinus Michels. Vanmiddag trouwens, voorafgaand aan de Europa League finale in Boedapest tussen AS Roma en Sevilla wordt er een standbeeld van hem onthuld.’’ Dat wist ik dan weer niet.
Best bijzonder, dacht ik – toen ik naar huis wandelde – dat je in deze digitale tijden je wereldnieuws soms nog gewoon ‘van straat’ haalt.