
Mijn dinsdag werd beheerst door een vooraf tot mislukken gedoemde missie om de eigen agenda bij te benen. En uitgerekend nu – haastig op weg naar afspraak drie van die ochtend – loop ik Freek tegen het lijf. Da’s op zich niet erg, want hij is sympathiek, maar een gesprek met mijn vroegere buurman is meestal wel tijdrovend. Freek heeft namelijk altijd wel een verhaal en meestal begrijp ik dat verhaal niet helemáál… althans niet in één keer. Dat komt door de manier waarop hij praat, namelijk in ellenlange zinnen die meestal in het luchtledige eindigen. Daarbij gaat hij uit van de misvatting dat ik de volledige voorgeschiedenis van dat verhaal ken en tevens alle namen die daarbij horen. Voorbeeld: ,,Nu heb ik gisteren tot drie keer toe met Van Puffelen gebeld, maar ondanks zijn herhaaldelijke toezegging dat het goed komt is er nog altijd niemand langs geweest om de meterkast aan te passen. Dáár mot je nou eens een kollem over schrijven!’’
Ik denk dan: wie is Van Puffelen? Welke toezegging? Hoezo meterkast? Ofwel… waar gaat dit hele verhaal in hemelsnaam over? Ik stel dan wat gerichte vragen, maar dan raakt Freek, die óók nog eens denkt dat de plaatselijke columnist tevens ombudsman is, ietwat geïrriteerd omdat hij in de veronderstelling leeft dat zijn ‘probleem’ inmiddels wel bij iedereen bekend is. Uiteindelijk wordt het me, na veel omhaal van woorden, duidelijk dat Freek, die in Stadspolders over een ruime voortuin met carport beschikt, al maanden moeizaam bezig is om op zijn erf een eigen laadpaal voor zijn elektrische auto geïnstalleerd te krijgen. Zijn verhaal – dat ook in twee zinnen verteld had kunnen worden – duurt welgeteld twintig minuten. Dan gaat zijn telefoon. De man van de meterkast staat voor de deur en Freek moet onmiddellijk naar huis. Terwijl hij wegfietst roept hij nog in onvervalst Dordts: ,,Je ben best ’n aardig vantjie hoor… je mot alleen geen haast hebben.’’