
De een is hier geboren, de ander ‘aangespoeld.’ Ik behoor tot die tweede groep: geboren in Rotjeknor, maar als kind in Dordt beland vanwege het simpele feit dat wijlen mijn vader hier emplooi vond als chef van een ambulancedienst die, destijds met drie wagens, nog min of meer in de kinderschoenen stond. Ik herinner me nog goed dat ik alleen al de gedachte van verhuizen een ware ramp vond… niet eens zozeer vanwege die ‘bestemming’ die Dordt heette (nooit van gehoord trouwens) maar omdat je als ‘gewortelde’ 11-jarige nu eenmaal niet graag afscheid neemt van je vriendjes, je school en je vertrouwde hang- en speelplekken. Maar op die leeftijd heb je nu eenmaal niks te vertellen en dus werd ik op een mooie zomerochtend wakker in eh… Sterrenburg nota bene. Was dát dan Dordt? Tja, in mijn beleving wél natuurlijk, al had die nieuwbouwwijk in wording, overwegend bevolkt door Rotterdamse en Brabantse import, aanvankelijk niet eens zo héél veel te maken met die prachtige ouwe binnenstad, die gevoelsmatig – de Rondweg bestond nog niet – zó ver weg lag. Je kwám als jochie op die leeftijd eigenlijk nauwelijks in het centrum. Nou ja, op koopavonden soms… met mijn moeder. Dan kreeg ik een Hema-worst en mocht ik een 45-toeren singletje kopen á raison van een kwartje in de uitverkoopbak van V&D. En zó dus – dankzij die koopavonden, waar het in mijn jeugdjaren nog ‘Rotterdams’ druk en sfeervol was – werd ik verliefd op de binnenstad. Waarom ik dit schrijf? Omdat ik me afgelopen donderdagavond ineens realiseerde dat ik dat nog altijd ben. Niet vanwege die gezellige Dordtse koopavonden trouwens, want die stierven in de loop der jaren een langzame dood. Nee, het was het avondzonnetje dat ik, gezeten op een bankje aan de Pottenkade met Blafmans aan mijn voeten, precies op mijn knar kreeg, terwijl de klokken van de Grote Kerk de avond én deze column inluidden.