
Khotinsky, één van de twee horeca-etablissementen in het Energiehuis is failliet. Toen ik dat hoorde, kreeg ik een soort eh… V&D-déjà vu: reuze verdrietig voor die mensen die nu op straat staan, maar eerlijk gezegd kwam ik er zelf al jaren nauwelijks meer.
De vraag is natuurlijk waarom Khotinsky, dat eigenlijk al sinds de oprichting in 2013 een wat moeizaam bestaan leidde, het niet gered heeft. Lag het aan het café-restaurant zelf… aan het eten of aan de bediening? Was die zaak wellicht té veel in een uithoek van de binnenstad gesitueerd? Is het een ‘staartje’ van die moeizame corona-jaren? Was de drempel om hier naar binnen te stappen te hoog of kwamen en komen er sowieso véél te weinig mensen in het Energiehuis om die toko een beetje rendabel te houden? Ik heb op al die vragen geen pasklaar antwoord. Over het eten en de bediening kan ik niet oordelen… ik bedoel, die paar keer dat ik er gegeten heb vond ik het allemaal best prima en met de bediening was – zeker in de begintijd – ook hélemaal niks mis. De industrieel aandoende inrichting van Khotinsky is trouwens prachtig, maar écht gezellig werd het er helaas nooit. Als het er half leeg was, was het er eh… héél leeg en als het er een keertje wél vol zat kon je maar moeizaam aan een biertje komen. Misschien was dát het wel… té groot en te prestigieus van opzet. Brandstof, die andere, wat kleinere horecazaak in het Energiehuis, draait namelijk wél als een tierelier. Toegegeven die zit aan de ‘goeie’ kant van het pand, namelijk aan de kant zónder klagende omwonenden.
De vraag is nu: wie durft er in het Khotinsky-gat te springen? Een gelegenheid die wél serieus ‘aansluiting’ zoekt en vindt bij wat er zich ’s avonds in de theaterzalen afspeelt lijkt me hier passend. Khotinsky was, in mijn ogen althans, té veel een eiland op zich.