
Gisteren kwam ik hem tegen bij de supermarkt: Sjaak, de inmiddels gepensioneerde inbreker uit vervlogen jaren. Hij was nu volledig kaal en liep achter een rollator, maar toch herkende ik hem meteen. Hij mij ook trouwens. In plaats van gedag te zeggen keek hij me doordringend aan en brulde héél hard: ‘Bèèèèèèèèh.’ In het gangpad ter hoogte van de pindakaas, schoten we vervolgens beiden luidkeels in de lach.
Dat vergt enige uitleg: ooit was ik voor deze krant regelmatig ‘op de rechtbank’ actief; de wat kleinere politierechterzaakjes vond ik dan het leukst om te doen. Vrolijker in ieder geval dan die hele grote, vaak lang slepende affaires bij de meervoudige kamer, die niet zelden om moord, doodslag of zware mishandeling draaiden. Op maandag en dinsdag kwamen de ‘kleine’ boefjes aan bod… meestal inbrekers of gelegenheidsdieven met soms heerlijke smoezen. Zoals Sjaak dus. Hij had, ruim 30 jaar geleden alweer, ingebroken bij zo’n beetje elke slijterij in stad en regio en nam bij de politierechter zijn eigen verdediging op zich: ,,Ja, ik weet het excellentie (op de aanspreektitel ‘edelachtbare’ werd vaak losjes geïmproviseerd) ik heb een drankprobleem én een krappe uitkering, maar ik dacht laat ik wél netjes mijn huur, mijn gas en mijn licht betalen, dan regel ik die drank wel op een andere manier. Dus eerwaarde… eigenlijk zou je kunnen zeggen dat ik de samenleving juist een dienst bewees door in te breken.’’ De altijd wat archaïsch sprekende officier van justitie was niet onder de indruk van dat argument en somde vervolgens uitvoerig op hoe hoog de door Sjaak aangerichte ‘scha’ was. Ook informeerde ze of die ‘scha’ eventueel in termijnen zou kunnen worden vergoed. Sjaak keek mij, verslaggever van dienst, vragend aan en liep naar mijn tafeltje: ,,Ik snap dat ik fout zat, maar eh, dat mens is niet goed hoor. Waarom moet ik nou in hemelsnaam een schaap betalen? Ik heb alleen maar wat drank gejat.’’