
In mijn serie terugblikcolumns over 2023 wil ik het vandaag met u hebben over hoogbouw. Daarover ging het vaak het afgelopen jaar en dan vooral over de vraag: moeten we in deze tijd van woningschaarste op dit door rivieren ‘begrensde’ eiland in het groen gaan bouwen of toch vooral de hoogte in gaan? De vraag stellen is hem beantwoorden, lijkt me. Ik bedoel: laten we die paar groene poldertjes die we hier nog over hebben nou gewoon lekker met rust laten en de woningnood alhier vooral proberen te ledigen met (niet per definitie spectaculaire, maar vooral betaalbare) hoogbouw. De meest logische vervolgvraag is dan: wat is dan precies hoogbouw? Als geboren Rotterdammer vind ik gebouwen van 30, 40 of 50 meter nou niet bepaald hoog, maar zelfs bescheiden hoogbouw ‘voelt’ in onze historische binnenstad in relatief opzicht al gauw snel wel té hoog aan. Niet voor niets hebben we hier ooit eens met z’n allen afgesproken dat nieuwbouw in de binnenstad niet hoger mag worden dan de 65-meter hoge Grote Kerk. Dat is ook de reden dat die oranjebruine ‘bouwdoos’ op het Statenplein wel de vorm van een woontoren heeft, maar niet de hoogte.
Met die afspraak hebben ze aan de overkant weinig te schaften, want inmiddels kijken we, vanuit een deel van de Dordtse binnenstad tegen wil en dank aan tegen een Zwijndrechtse ‘wolkenkrabber’ die weliswaar niet hoger is dan onze Grote Kerk, maar die wel degelijk van grote invloed is op het Dordtse ‘stadsgezicht.’ Je zou kunnen zeggen dat Zwijndrecht ons in visueel opzicht een eh… oor aangenaaid heeft. Dat gaat Papendrecht trouwens ook doen, want daar verrijst op het Merwehoofd over enige tijd de ruim 40 meter hoge Toren M en ook dát gebouw zal het ‘smoel’ van een deel van de Dordtse binnenstad, voorgoed veranderen. ‘Hoog en droog’ wonen met uitzicht op de levende ‘ansichtkaart’ Dordt is kennelijk populair aan de overkant… da’s zowel vleiend als vervelend.