
Een paar jaar geleden alweer zijn we er mee gestopt… met de uitverkiezing Dordts Woord van het Jaar. En met ‘we’ bedoel ik wat mensen uit het lokale medialandschap, die elke december weer op geheel ondemocratische wijze en onder het genot van een straf biertje, bepaalden wat de leukste of meest inventieve, uit de actualiteit ‘geboren’ woorden of begrippen waren in het dan nog nét niet voltooide nieuwsjaar. Deze verkiezing (ooit bedacht trouwens door Jacqueline van Dongen, tegenwoordig wethouder te Zwijndrecht) leverde in de afgelopen jaren een schat aan ‘nieuwe’ Dordtse woorden en uitdrukkingen op, waarvan ‘Schapetrots’ (na promotie van de plaatselijke FC in 2014) toch wel de állermooiste was. En misschien kunt u zich swaffeltherapeut (2013), pantoffelritje (2015) en loempiadichter (2018) ook nog wel herinneren. De betekenis van die woorden moet u zelf maar even opzoeken; ze leven immers nog altijd voort op het wereldwijde web.
Maar goed… geen Dordts Woord van het Jaar meer, maar ter compensatie leg ik u in deze column wel mijn persoonlijke toevoegingen aan het (overigens niet bestaande) ‘Groot Dordts Woordenboek’ voor.
Dat zijn, in alfabetische volgorde:
- Bokkepoot: delicatesse uit park Merwestein.
- Brugzucht: die slaakt menig Dordtenaar vanwege omrijden als gevolg van storing, renovatie of een ernstig opgelopen kostenplaatje (Prins Clausbrug, 13 miljoen). Hij is trouwens wél prachtig, dus die zucht kan er ook eentje van bewondering zijn.
- Megalomaasterras: ‘Gedroomde’ Dordtse wijk.
- Streekomroep: zendgemachtigde die de belastingbetaler herhaaldelijk een financiële streek levert.
- Tunnelblik: inkomstenbron directie Kiltunnel.
- Vergisexplosie: wel raak, maar tegelijkertijd toch ook mis, want juiste straat… verkeerde stad.
- Wijkbewoner: huizenbezitter aan Weeskinderendijk die moet wijken voor Megalomaasterras.
- Zwalkbos: een door de stad reizend bos dat soms (Prinsenstraat) even de weg kwijt is.