
Kan het hebben van een optimistische inborst daadwerkelijk in je genenplaatje zitten? Ik beluisterde een verhaal met die strekking, ergens vorige week, in een of ander praatprogramma (het kan ook een podcast geweest zijn) en ik dacht meteen: ja, ik geloof dat eigenlijk wel.
Ik ken in mijn eigen omgeving trouwens diverse onverbeterlijke optimisten, maar even zoveel chronische doemdenkers. Die laatste groep tref je trouwens vooral op de sociale media aan. U kent ze wel… die mensen die in elke oplossing wel weer een probleem zien in plaats van andersom: iemand heeft een plan of een idee (dat zijn dan meestal die optimistische mensen) en op de welbekende platforms van zolderkamertjes-analisten manifesteert zich dan altijd wel weer een handje vol sneue sombermansen die dat plan of dat idee op voorhand al volledig tot op de grond toe afbranden. In het spectrum tussen blij ei en zuurpruim schaar ik mezelf – net als de meeste mensen, zo vermoed ik – tot de middengroep, zij het dan wél immer lonkend naar het sprankje blauw aan de horizon.
Neem nou dat nieuwe jaar dat nog kersvers voor ons ligt: je kunt natuurlijk op voorhand al besluiten dat het weer gewoon ‘just another kutyear’ wordt, want oorlog her en der, alles wordt wéér duurder, Feyenoord wordt géén kampioen, Van Gerwen ook niet en Gordon gaat vast wel weer zingen. En tóch heb ik er altijd wel weer zin in, in zo’n nieuw jaar. Dit onder het motto ‘nieuwe ronde, nieuwe kansen.’ En dus… op naar de sportschool, wederom meedoen aan dry januari, Bram Ladage (vlakbij huis) zo lang mogelijk links laten liggen, dromers en plannetjesmakers altijd het voordeel van de twijfel geven, vertrouwen op de ‘gouden Jodocus’ van Koeman tijdens het aanstaande E.K. en blijven hopen op een Elfstedentocht. Geloof me… het komt goed. Mijn winst in de Staatsloterij was het eerste voorteken. Oké, het was slechts een tientje, maar toch…