
Na ons de zondvloed, zei ooit Madame de Pompadour de maîtresse van koning Lodewijk XV van Frankrijk. Deze uitdrukking, die in de variant ‘Na mij de zondvloed’ ook wel wordt toegeschreven aan Lodewijk zelf, heeft meerdere betekenissen, maar komt toch uiteindelijk een beetje neer op ‘Ach… het zal mijn tijd wel duren.’
Hoe dan ook én, hoe fout het misschien ook klinkt, het is toch altijd met die instelling dat ik routineus naar een Dordtse oever sjok om, voor het slapen gaan, maar weer eens met eigen ogen te checken óf en in welke mate het water over de kades klotst. Dat gebeurt zo’n beetje om de zoveel jaar wel een keer en da’s natuurlijk reuze vervelend voor een aantal binnenstadsbewoners omdat er hier en daar wat keldertjes onderlopen en er diengevolg soms dus heftig met zandzakken gesjouwd en ‘gestouwd’ moet worden.
En nu wil ik dat ‘nét-over-het-randje-probleem’ absoluut niet bagatelliseren, maar het valt mij op dat Dordtenaren hier over het algemeen nou niet bepaald van in de vlekken schieten. Dit met uitzondering natuurlijk – en begrijpelijk ook – van die mensen die er daadwerkelijk hinder en schade van ondervinden; voor de rest van de binnenstadspopulatie is de dreiging van hoog water over het algemeen een gebeurtenis met een opvallend laag paniek-gehalte. Tijdens mijn hoog-water-wandeling kom ik altijd wel bekenden tegen en dan is meestal de conclusie dat ‘het’ aan Hooi- of Pottenkade (of waar dan ook) dit keer inderdaad weer vervaarlijk hoog staat. Veel woorden worden daar dan trouwens verder niet aan vuil gemaakt; hooguit luidt soms het commentaar: ‘’t is wat!’ of ‘Nou… dát wordt weer dweilen voor Arie.’
Altijd weer tref je dan, ergens aan een kade, de onvermijdelijke ‘deskundige van dienst aan… meestal een ouwe schipper of een gepensioneerde medewerker van Rijkswaterstaat, die de opgekomen goegemeente uitlegt dat er vooralsnog eigenlijk niks ‘aan het handje’ is.
Morgen wéér met Blafmans… reünie langs de waterkant.