
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik ben, vanuit de grond van mijn hart, vóór de opvang van mensen die, vanuit welke treurige plek op deze aardkloot dan ook, pogen om ‘bij ons’ (waar het leven goed is) een toekomst op te bouwen. Waarom? Omdat ik me met het vorderen der jaren meer en meer ben gaan realiseren dat het louter een kwestie van pure mazzel was dat ik ter wereld kwam op precies dát plekje op onze wereldbol waar het leven je over het algemeen vooral toe lacht. Simpel gezegd… het is geen verdienste (in ieder geval niet de mijne) dat ik hier, in dit veilige en welvarende stukje aardkloot een bestaan mocht opbouwen… nee, het is een winnend lot in de levensloterij.
En dus ben ik trots op het feit dat wij, ja óók hier in deze regio ons steentje bijdragen aan de opvang van asielzoekers. Alleen al vanuit dát oogpunt juich ik het van harte toe dat die spreidingswet er nu – in weerwil van Wilders – uiteindelijk tóch gaat komen. Dit omdat die wet ook die gemeentes die tot op heden altijd de andere kant op keken, nu kan dwingen om in dit mondiale probleem een stukje van de verantwoordelijkheid te pakken. Als méér gemeentes hun aandeel leveren kun je de opvang van asielzoekers immers kleinschaliger inrichten. Want nee, ik sta niet kritiekloos in deze kwestie… ik vind namelijk dat té grootschalige opvang (580 in Dordt, 300 in Zwijndrecht en 250 in Sliedrecht) vragen om moeilijkheden is. Kleinschaligheid (hooguit 50 per locatie) kan leiden tot een beter onderling begrip, voelt voor de omgeving veiliger aan en is ook efficiënter in de begeleiding. Ook komt het de integratie ten goede, aangezien kleinere groepen het voor asielzoekers én lokale bewoners makkelijker maakt om onderling contact te maken.
Tegen alle zolderkamertjeshelden op de sociale media zeg ik alvast: één, twee, drie… én los.