
Ooit had ik twee collega’s die, ‘aan de vooravond’ van carnaval, altijd wat onrustig werden. Wat er ook in de wereld aan de hand was (al stond de Grote Kerk bij wijze van spreken op omvallen) dan móesten ze, desnoods te voet, nog vóór het aanstaande carnavalsweekend terug naar hun respectievelijke geboortesteden Venlo en Oldenzaal. Carnaval was voor hen véél meer dan louter een feessie… het was een weerzien met oude vrienden en thuiskomen om je te laven in ongebreideld geluk en om jezelf te her-ontdekken in een zelfgeschapen karikatuur van een soms zo wrange werkelijkheid. Nou ja, zo heb ik het althans begrepen.
Al jaren achtereen zit ik, meestal in de week voorafgaand aan carnaval, in een vakantiehuisje nabij Venlo en ik geniet daar van de voorbereidende werkzaamheden, die al een feest op zich zijn. Carnaval, zo ‘leerde’ ik in Venlo, is zoveel méér dan louter hossen en innemen; het is een mengeling van vreugde en verbondenheid… een tijd ook waarin mensen écht even kunnen ontsnappen aan de sleur van alledag met als bijkomend doel het opladen van de mentale batterij.
Maar, héél gek… als het feest daar dan écht losbarst ben ik meestal alweer vertrokken. Daar ben ik nooit rouwig om, want ik heb dan al volop genoten van die Venlose voorpret; het feest zelf is aan mij nu eenmaal niet besteed. In Dordt (niet bepaald de stad van het askruisje na afloop) is carnaval hooguit een verkleedfeest zonder diepere betekenis. En tóch heb ik bewondering (én een zwak) voor al die ‘ooien en rammen’ die elk jaar weer manhaftig pogen om er hier iets van te maken. Ik gún ze vanuit de grond van mijn hart hun feest dat louter voor het oppervlakkig oog enigszins op carnaval lijkt.
Dordts ware carnaval, zo schreef ik al eens eerder, komt altijd wat later in het jaar… het heeft een eigen ‘verschijningsvorm’ en luistert naar de naam Big Rivers.