
Gerard leeft in een permanente staat van opperste waakzaamheid. Ik weet dat hij thuis drie sloten op zijn voordeur heeft en dat hij bij het verlaten van zijn woning, altijd eerst alle stekkers uit de stopcontacten trekt, ter preventie van mogelijke kortsluiting bij onweer.
Nooit ook, zo weet ik, verliest hij zijn fiets uit het oog. Zelfs voor een gesprekje op de Wantijdijk, waar Blafmans en ik hem bij toeval tegen komen, bevestigt hij zijn tweewieler met twee kettingsloten aan het bankje waarop ik zit. ,,Je vindt het vast allemaal overdreven, maar ik neem nu eenmaal liever het zekere voor het onzekere’’, zegt hij verontschuldigend, terwijl hij naast me plaats neemt na eerst het bankje te hebben gecontroleerd op stevigheid en mogelijke vlek-op-jas-veroorzakers. Ik wuif zijn excuses weg, want ik ken Gerard, die ooit ‘een soort van’ collega was, al minstens een half leven en ik ben me uitermate bewust van het feit dat elke opmerking mijnerzijds over zijn chronische overbezorgdheid gelijk staat aan fluisteren tegen de wind in.
,,Laat je de koelkast dan wél aan staan als je het huis verlaat?’’ grapte ik eens tegen hem, tijdens een eerder gesprekje op toevallig datzelfde bankje. Dat had ik beter niet kunnen doen, want Gerard besloot vervolgens om, met nu nog bezorgdere blik, ogenblikkelijk huiswaarts te keren. Hoe hij deze, voor hem nieuwe ‘kwestie’ vervolgens heeft aangepakt heb ik hem trouwens nooit durven vragen.
Tot een heus gesprekje kwam het gisteren trouwens niet, want dit keer blijkt Gerard uitermate bezorgd te zijn over het weer. ,,Het gaat straks keihard regenen, dus ik denk dat ik maar naar huis ga, voordat het losbarst.’’ En weg was mijn bankgenoot, na exact één minuut zitten.
Toen Blafmans en ik later die middag volslagen doorweekt thuis arriveerden, realiseerde ik me twee dingen; namelijk dat angsthazen bést wel eens gelijk hebben én dat ik zelf uiteindelijk toch liever soms nat dan altijd bevreesd ben.