
Er komt een extern onderzoek naar de mogelijkheden voor uitbreiding van standplaatsen voor woonwagenbewoners op dit eiland. De gemeenteraad stemde daar vorige week mee in en dat vind ik een knap resultaat van de Dordtse politieke partijen VSP en de fractie Van Waardhuizen die hier al geruime tijd bij het gemeentebestuur op aandrongen.
Laat ik de situatie even terugbrengen naar waar het uiteindelijk om draait: het aantal woonwagenplekken in deze stad is momenteel simpelweg te klein om nieuwe generaties (lees: de kinderen van…) te voorzien van een ‘eigen’ optrekje. Die prangende ’roep om ruimte’ vanuit deze gemeenschap had de afgelopen jaren – daar móeten we gewoon eerlijk in zijn – nou niet bepaald prioriteit in Dordt.
En mocht u zich, in deze tijd van woningkrapte, nou afvragen waarom woonwagenbewoners zo nodig in een woonwagenkamp moeten wonen (iets wat uiteindelijk tóch nét wat meer ruimte vergt) en waarom zij hun specifieke woonvorm prefereren boven een ‘gewoon’ huis, dan wil ik graag even het volgende duidelijk maken: de samenhang binnen deze cultuur is van niet te onderschatten belang; woonwagenbewoners hechten nu eenmaal veel waarde aan familiebanden en gemeenschapszin. Voor woonwagenbewoners voelt het wonen in een stenen huis simpelweg dan ook zelden prettig aan. Het draait in deze cultuur (ik verwoord het even als leek) immers om zaken als ongedwongen bij elkaar kunnen binnenlopen en om de mogelijkheden om ‘van wieg tot graf’ voor elkaar te kunnen zorgen. Woonwagenbewoners passen op elkaars kinderen en regelen het liefst zelf de zorg voor ouderen op het kamp. En nu ben ik de laatste om te beweren dat ‘burgers’ (want zó worden niet-woonwagenbewoners genoemd) daar géén waarde aan hechten, maar binnen deze specifieke cultuur is juist die sterke onderlinge betrokkenheid van oudsher simpelweg dé manier van leven.
Complimenten dus voor die beide raadsfracties die inzagen dat woonwagenbewoners in deze stad de afgelopen jaren in ‘ruimtelijk opzicht’ steeds verder in de knel kwamen te zitten.