
Ik kom ze af en toe nog wel eens tegen; de boeven en boefjes van weleer. Ik leerde er veel kennen in de jaren dat ik, als jeugdig verslaggever, wekelijks de rechtbank bezocht om verslag te doen van de grote en kleine misdaden waarvoor ze zich bij de politierechter moesten verantwoorden.
Echt oud zijn sommigen nu… soms kwetsbaar en de dagen zat, soms ook nog altijd strijdbaar, weerbarstig en niet gespeend van humorvolle zelfspot. Goof, die me gisteren op de Voorstraat begroette, behoorde tot die laatste groep. Ooit was hij op dit eiland een gespierde horecaportier, die niet bepaald kieskeurig was met de soms wat onfrisse opdrachtjes die hij, vanwege zijn postuur, kreeg toegeworpen. Die klusjes hadden meestal een wat eh… communicatief karakter. Had je – ik heb het nu over medio jaren tachtig – binnen ‘het milieu’ nog wat schulden open staan of dreigde je wellicht ergens je mond voorbij te praten, dan kon je wel eens bezoek ontvangen van Goof en zijn sportschoolmaatjes. En zo weet ik – hij vertelde het me ooit zelf -dat hij wanbetalers en ‘zingende kanaries’ (verklikkers) op de Zwijndrechtse brug wel eens een minuutje ondersteboven bij de enkels vast hield om ‘een boodschap van hogerhand’ af te geven. ,,Dat uitzicht op de rivier deed écht wonderen, maar we hebben nooit iemand laten vallen hoor.’’
Gisteren sprak Goof me aan over een vechtpartij waarvoor hij, inmiddels alweer 35 jaar geleden, in het beklaagdenbankje zat: ,,Je schreef toen dat er wel vijf politiemensen nodig waren om me in de boeien te slaan, maar geloof me… dat waren er toch écht meer dan zeven hoor.’’
En nee, Goof eiste geen rectificatie. ,,Nee joh… ’t is alleen dat je het maar even weet, want ik heb natuurlijk wél een reputatie hoog te houden.’’
Ik knikte begrijpend en Goof schudde me vriendelijk de hand bij wijze van afscheid.
Ik keek hem nog lang na… in zijn scootmobiel.