‘Wat een weer hè, de laatste tijd?’


Alarm… vervelende man op komst, wegwezen. Nee, dat zei ik natuurlijk niet hardop, maar wél ‘in mezelf’, toen ik Van Puffelen (ik zal z’n echte naam niet noemen) op een regenachtige Voorstraat zag naderen. Helaas was het daarvoor nét te laat en stond deze voormalig winkelier (foeilelijke rieten meubels en truttige handdoeken) al op dwingende toon tegen me aan te praten. Dat doet hij altijd met een attitude als zou ik bij hem op de loonlijst staan. Meestal eindigt zijn betoog – zo ook nu weer – met het mij inmiddels welbekende adagium: ,,Schrijf dáár nou eens een column over.’’
Nu acteer ik altijd, als het een keer écht niet anders kan (ofwel bij vervelende mensen dus), héél goed oprechte belangstelling, maar dat kon ik nu nét even niet opbrengen.  Dus toen Van Puffelen nog niet eens half uitgeraasd was zei ik: ,,Wat een weer hè, de laatste tijd?’’
Hij keek verbaasd, maar mijn cynisme ontging hem volledig. Ik had hem nét zo goed kunnen vertellen dat de Grote Kerk in brand staat, dat ik aan een ernstig besmettelijke vorm van knokkelkoorts lijdt en dat mijn vrouw een driehoeksverhouding met Peppi én Kokkie is aangegaan, maar dát zou volslagen zinloos geweest zijn, aangezien Van Puffelen louter op zenden en nimmer op ontvangen staat. Hij dacht simpelweg dat ik hem verkeerd verstaan had en besloot daarom zijn tirade (iets over parkeren en een stad die ‘naar de klote’ gaat) opnieuw in te zetten, zij het nu op nóg luidere toon.
En toen werd ik – wonderen bestaan nog – gered door de bel, nou ja, de ringtone van mijn telefoon eigenlijk. Het was de eindredactie van deze krant… waar mijn column nou toch blijft. ,,Die is op een haar na gevild’’, antwoordde ik.
Met de woorden ‘krant’, ‘haast’ en ‘deadline’ laat ik Van Puffelen verbouwereerd achter op een nu verder nagenoeg lege want inmiddels kletsnatte Voorstraat.
,,Wát een zeikerd’, zei Blafmans toen we haastig wegliepen. Of sprak ik nu tóch hardop in mezelf?

Plaats een reactie