Dat móet wel een liefdevol boek worden…


Nét vijftien jaar was ik, toen ik er mijn eerste biertje dronk en ik herinner me van dat zonovergoten spijbelmiddagje vooral dat ik de wat oudere stamgasten – achteraf gezien zóveel jonger dan ik nu zelf ben – bést oud vond. Aan de stamtafel, waar vaak geklaverjast werd, durfde je nog niet plaats te nemen en in de ‘zitjes’ ter hoogte van de bar werd je meestal weggejaagd, want die waren, vooral op drukke zaterdagen, gereserveerd voor poffertjesklanten. Nee, in Visser’s Poffertjessalon (dat apostrofje is en blijft een taalfout) moest je je ‘status’ als klant daadwerkelijk veroveren. Hoe? Door er gewoon te blijven komen, hetgeen ik al decennia achtereen, zij het in wisselende frequentie per levensfase, nog altijd doe. Er waren tijden dat ik er nagenoeg dagelijks te vinden was: als kersverse redacteur van dit dagblad bijvoorbeeld, toen ik er mijn dagelijkse bakkie vroege-ochtend-koffie dronk, terwijl ik er – inmiddels wél doorgedrongen tot de stamtafel – eerst even mijn eigen krantje las om, rond de klok van negen uur, ‘beslagen ten ijs’ te komen voor de dagelijkse redactievergadering even verderop. Poffertjes at ik er eigenlijk nooit… nou ja, tót aan dat moment dat ik zélf vader was en mijn kinderen er trakteerde, zoals ik dat in mijn jeugd de ‘oudere’ stamgasten zag doen.
Het café fungeerde, gedurende mijn loopbaan bij deze krant, overigens wel vaker als redactieruimte, want niet zelden maakte ik dáár mijn interview-afspraken, kreeg ik er vele ‘tips’ en niet zelden ook de onvermijdelijke kritiek óp mijn pennenvruchtjes.
En nu komt er dus een boek uit over Vissers’s, dat ‘als huiskamer van Dordt’ alweer bijna een halve eeuw bestaat, maar eigenlijk nog zóveel ouder is, want begonnen als wafel- en poffertjeszaak in 1932.
Aan de gasten van ‘door de jaren heen’ wordt verzocht een bijdrage te leveren. Dat móet dus wel een liefdevol boek worden met daarin hopelijk óók een plekkie voor dit bescheiden ‘stukje uit het hart.’

Plaats een reactie