
Een prettig ‘bijverschijnsel’ van wonen én werken in de binnenstad is dat je de auto vaker links laat liggen. Zo’n beetje alles wat je nodig hebt bevindt zich immers op loop- of fietsafstand van je voordeur en dus gaan er soms weken voorbij dat ik niet achter het stuur kruip.
Doe ik dat een keer wél (gisteravond moest ik bijvoorbeeld in Sterrenburg zijn) dan vergeet ik nog wel eens dat 30 kilometer per uur rijden op veel plekken in de stad inmiddels ‘de norm’ geworden is. Maar om niet harder dan 30 te rijden moet je wel degelijk serieus moeite doen; ik bedoel… als je er niet voortdurend bewust mee bezig bent, zit je daar al snel onbedoeld overheen.
Het overkwam me toen ik, na dat bezoekje in Sterrenburg, op de Stevensweg belandde. Dáár kom je, vooral in de avond als het niet druk is, al snel in de verleiding om nét iets harder te rijden. Hoe dat komt? Tja, de Stevensweg ‘leent’ zich daar op de een of andere manier gewoon voor, al moet ik toegeven dat de kunstmatige wegversmallingen aldaar (heel veel gestreepte paaltjes en borden met rode en witte pijlen) je nu wel degelijk serieus doen realiseren dat de limiet hier toch écht 30 is.
Toch blijkt die ‘nieuwe’ situatie niet tot tevredenheid alom te stemmen: de Stevensweg zou, als gevolg van al die maatregelen, nogal onoverzichtelijk zijn geworden en de Fietsersbond plaats vraagtekens bij die nu gecreëerde situatie, aangezien automobilisten (met zo’n rode pijl in zicht) plaats moeten maken voor tegemoetkomend verkeer, waarbij soms ondoordacht wordt uitgeweken naar het fietspad. Los van die maatregelen wordt er trouwens toch óók nog altijd structureel te hard gereden.
Tijd wellicht voor een tijdelijke of misschien zelfs permanente filtspaal? Dat was bij 30 km tot voor kort ‘not done’ in verkeersland, maar inmiddels schijnen ze daar in Amsterdam – ondanks het immense gemopper hierover – prima resultaten te bereiken.