
Het zal wel een leeftijdsdingetje zijn, maar ik kan er maar niet aan wennen… aan bellende mensen zonder zichtbare telefoon. En natuurlijk weet ik best wel hoe het werkt; ik maak me er zelf immers ook wel eens schuldig aan. Als ik met Blafmans door de stad wandel en via mijn draadloze oordopjes naar een podcast loop te luisteren, zwijgt soms ineens Maarten van Rossem – nét bezig aan een meedogenloze karakterschets van een veroordeelde crimineel die president van Amerika wil worden – en dan heb ik zomaar ineens een eindredacteur aan de lijn, die me vraagt of m’n column voor morgen al ‘in het systeem’ zit. En ongetwijfeld zal er dan wel eens iemand (vermoedelijk nét zo’n sukkel als ik) denken: ,,Loopt die gozer nou in zichzelf te lullen?’’
Gisteren, in de Vriesestraat, was ik ongewild toehoorder van een echtelijke twist. Nou ja, ik hoorde natuurlijk maar één kant van het verhaal, maar ik maakte uit het gesprek op dat de vriend of echtgenoot van de (draadloos) bellende vrouw die me luid delibererend tegemoet kwam, Hans heette. Hoe ik dat weet? Omdat ik de vrouw ongeveer tien keer – binnen een halve minuut – op bulderende toon ‘Ja, maar Hans’ hoorde zeggen. Wat er nou precies met Hans aan de hand was weet ik natuurlijk niet, maar ik maakte uit het gesprek op dat Hans ‘iets’ probeerde uit te leggen, alleen kon ik dat ‘iets’ niet helemaal plaatsen. Wat ik wél uit het gesprek begreep is dat Hans vanavond niet thuis komt eten… sterker nog, Hans komt, zo was me nu wel duidelijk, voorlopig helemáál niet meer thuis. Toen ze me passeerde kruisten heel even onze blikken elkaar en precies op dát moment brulde ze: ,,Vuile klootzak.’’ In die ene seconde stilte die daarop volgde kon ik alleen maar uitbrengen: ,,Je hebt het nu tegen Hans toch?’’
Als blikken konden doden had ik u deze column vandaag niet kunnen voorschotelen.