
Vorige week besloot een inwoner van deze stad zijn leven te beëindigen door van de toren van de Grote Kerk te springen. En ondanks het feit dat ik de persoon in kwestie persoonlijk kende, ben ik – in mijn eerdere column hierover – bewust niet ingegaan op de feiten en omstandigheden die tot dit betreurenswaardige incident geleid hebben. Mijn column ging vooral over het feit dat de pers over het algemeen uitermate terughoudend is met betrekking tot dit soort gebeurtenissen. Dit vooral vanwege mogelijk imitatiegedrag. Eigenlijk luidt zo’n beetje de stelregel: je schrijft er niet (of zo uiterst summier) over, tenzij het een lokale of landelijke bekendheid betreft, óf als de daad in kwestie veel publieke reuring te weeg bracht.
In mijn loopbaan als verslaggever heb ik meerdere suïcides op openbare plekken van nabij meegemaakt. De meesten daarvan vonden plaats op de, destijds nog niet ‘bewaakte’, meest zuidelijke spoorwegovergangen op dit eiland en ook herinner ik mij diverse eerdere – nagenoeg altijd fataal geëindigde – sprongen vanaf de Grote Kerk, vanaf het dak van het Stadskantoor en vanaf diverse flatgebouwen en viaducten op dit eiland. Overigens vinden de meeste suïcides plaats achter gesloten deuren en die zaken halen diengevolg dus zelden de krantenkolommen.
Feit is dat de 65 meter hoge kerktoren (een van de meest populaire toeristentrekpleisters van deze stad) momenteel voor publiek gesloten is. Voor hoe lang weet ik niet; ik vermoed voor zo lang als het onderzoek naar die recente wanhoopsdaad gaat duren, maar misschien bezint de gemeente zich óók wel op extra veiligheidsmaatregelen.
Op de bekende ‘suicide-hotspots’ wereldwijd, zoals de Eiffeltoren in Parijs, de Golden Gate Bridge in San Francisco en de Nanpu-brug in Sjanghai zijn in de afgelopen decennia steeds meer fysieke barrières opgebouwd (hekken, vangnetten, beveiligingscamera’s) om het mogelijke springers daar zo moeilijk mogelijk te maken. Of die er voor de toren van de Grote Kerk óók gaan komen weet ik vooralsnog niet.