
Bij het station zie ik een mannetje driftig heen en weer paraderen. Het is Sjoerdje, een mij bekende dakloze die meestal bij het Legers des Heils in Dordt, maar soms ook in Rotterdam overnacht. Hij pendelt alweer vele jaren heen en weer tussen beide steden en is inmiddels een meester in zwartrijden geworden. Sjoerdje, nooit om een praatje verlegen, komt naar me toe en zegt: ,,Ik ga naar Roffa, maar wacht nog even tot er meer mensen bij de poortjes staan. Weet je, vroeger was het makkelijker… toen kon je nog gewoon op elk station komen. Nu moet je onopvallend met iemand door zo’n poortje zien mee te glippen. Da’s niet zonder risico, want je komt dan zó dicht bij iemand dat je wel eens ruzie krijgt. Tóch lukt het meestal wel hoor. Terug is moeilijker, want het bulkt daar op het station van de toezichthouders.’’
,,En ga je nu naar Rotterdam om te pitten?’’
,,Nee, ik ga oogsten.’’ Ik kijk verbaasd, maar Sjoerd legt het uit: ,,Bukshag… dat ken je toch wel? Op het plein voor Centraal sterft het van de peuken. Die raap ik op, frommel de restjes tabak eruit en daar draai ik sjekkies van. Ze zijn nu bijna op, dus daarom ga ik weer terug. Ik vraag er 20 cent voor en verdien daar meer mee dan plastic flesjes inzamelen. Dat blijf ik er trouwens óók gewoon bij doen hoor.’’
Het is inmiddels weer druk op het station en ondernemer Sjoerdje rent naar de poortjes om zijn ‘glipkans’ af te wachten.
Thuis zoek ik het op… bukshag. De term dateert van de Tweede Wereldoorlog, toen tabak in Nederland schaars was geworden en opgeraapte sigarettenpeuken gebruikt werden om ‘nieuwe’ sigaretten van te maken.
Tegenwoordig is tabak niet meer schaars, maar wel peperduur… te duur in ieder geval voor een nagenoeg geldloze groep mensen die in ‘een rokertje’ de meeste troost vindt. Dat stemt me wat somber.