
Sinds enkele dagen bestaat in Australië het zogeheten recht op onbereikbaarheid. Wat dat betekent? Dat werkgevers hun personeel na werktijd voortaan niet meer mogen lastig vallen met berichtjes, mailtjes en telefoontjes over kwesties en aangelegenheden die ook later kunnen worden afgehandeld. Doen ze dat tóch, dan riskeren ze een fikse boete. Doel van deze wet is om werknemers te beschermen tegen overmatige werkdruk en stress, hetgeen ze een ‘gezondere’ balans verschaft tussen hun werk en hun privéleven. Overigens geldt dat recht op onbereikbaarheid vanzelfsprekend niet voor alle soorten werk; voor bepaalde beroepen, zoals noodhulpdiensten en specifieke managementfuncties is het nu eenmaal nagenoeg onmogelijk om buiten werktijd volledig onbereikbaar te zijn.
Bovenstaand nieuwsbericht zou me overigens volledig ontgaan zijn, ware het niet dat ik gisteren een bericht ontving van een oud-collega met de vraag of zoiets in Nederland nou ook zou kunnen of moeten? Tja… daar moest ik wel even over nadenken; het kan in ieder geval niet in mijn beroep, was mijn eerste gedachte. Ik bedoel: ik ben meestal wel blij als ik ’s avonds gebeld word door een wakkere eindredacteur die in mijn column – soms nog griezelig kort voor de deadline – een wezenlijke denk- of redenatiefout ontdekt heeft. Ook stel ik het op prijs als ik door de redactiechef op de hoogte wordt gebracht van een nieuwsgebeurtenis die je als journalist/columnist simpelweg niet kunt laten liggen.
Maar ik snap natuurlijk de vraag wel… hebben werknemers in Nederland serieus behoefte aan een soortgelijke matregel? De Tweede Kamer debatteerde daar anderhalf jaar geleden al eens over, maar het initiatiefwetje (ingediend door de PvdA) haalde het destijds niet. Terecht ook, want uit onderzoek is gebleken dat slechts 7 procent van alle werknemers in dit land een pijnlijke onbalans ervaart in de verhouding werk en privé. Die enquête dateert overigens wél uit 2016, dus een hernieuwd onderzoek (over een jaar of twee bijvoorbeeld) lijkt me zeker geen overbodige luxe.