
,,Ah… u bent die stukkiesschrijver uit de krant.’’ Ergens tussen de hagelslag en de pindakaas in de buurtsuper werd ik ruw uit mijn boodschappenbubbel getrokken door een boos kijkend heerschap. ,,Ik had u niet herkend’’, voegde hij er aan toe.’’
In de verbale leemte die daarop volgde repliceerde ik: ,,Kennelijk wél.’’ Mijn op zich vriendelijk bedoelde ‘ijsbrekertje’ ging volledig aan de man voorbij, want hij bleef me doordringend aankijken, hetgeen me een wat ongemakkelijk gevoel bezorgde. Wederom volgde een pijnlijke stilte. Toen kwam het hoge woord er uit. ,,Wat heeft u tegen Meppel?’’
Met mijn wenkbrauwen in de vraagstand kwam ik, na enig nadenken, niet verder dan een tegenvraag: ,,Wat bedoelt u precies?’’
De man keek nu serieus boos. ,,Ik bedoel precies wat ik zeg. Wát heeft u tegen Meppel?’’
Er viel nog steeds geen kwartje in mijn bovenkamer, maar om er vanaf te zijn antwoordde ik: ,,Ik heb helemaal niks tegen Meppel. Wat moet ik tegen Meppel hebben? Ik kom er nooit.’’
,,Ik wél’’, luidde het antwoord. ,,Sterker nog, ik ben er geboren en ik heb er schoon genoeg van.’’
,,Van Meppel?’’ antwoordde ik nét iets te gevat.
Als blikken konden doden lag ik nu rochelend in mijn winkelwagentje. ,,Nee, ik heb er genoeg van dat u altijd zo badinerend over Meppel spreekt. U schreef bijvoorbeeld dat Dordt met minder Intercity-treinen op Meppel aan de Mewede begint te lijken en laatst had u het over lelijke nieuwbouw en stelde u vast dat Dordt vanwege dit soort gebouwen in Meppel aan de Maas begint te veranderen. Dus nogmaals… wat heeft u tegen Meppel?’’
Nu viel alsnog het kwartje en ik legde uit dat dat Meppel aan Maas of Merwede nu eenmaal lekker allitereert. ,,Maar weet u, ik zal het nooit meer doen’’, beloofde ik plechtig. ,,En eh… bedankt alvast.’’
,,Bedankt waarvoor?’’ zei de man, nog altijd wat stuurs kijkend.
,,Voor mijn column van zaterdag… over het mooie Meppel.’’