
,,Hoe kom ik bij het museum?’’ Als ik een euro had gekregen voor elke keer dat ik iemand de weg wees naar het kennelijk nog altijd wat moeilijk te vinden Dordrechts Museum, zou ik deze column geschreven hebben vanuit mijn villa aan zee. Voorlopig moet ik het stellen met mijn ‘thuiskantoortje’ aan de Vest. Ook niet verkeerd trouwens, zo realiseer ik me de laatste tijd steeds vaker. Mijn huis staat weliswaar niet aan zee, maar ik héb in ieder geval een huis. Nu ben ik niet van de generatie die zich in een ver verleden voor drie gulden vijfennegentig een statig herenhuis aan een Dordtse ‘gracht’ of Singel wist te verwerven en dat later weer van de hand deed voor driekwart miljoen of meer, maar ook mijn generatie mag, ten opzichte van ‘onze’ kinderen, zeker niet klagen. Toen ik, lang geleden alweer, een (naar hedendaagse maatstaven) bescheiden hypotheekje afsloot om het huis te kopen waar ik nog altijd woon, bood de bank lachend een extraatje aan voor een dakkapel en een nieuwe keuken en werden onze hypotheekdocumentjes met een sierlijk lintje eromheen aan de voordeur afgeleverd door een prinsesje in een gouden koets. Nu (over)biedt de generatie na mij – niet zelden vergeefs – een tonnetje of drie-en-een-half op woningen waar wij destijds onze neus voor ophaalden. Dat voelt niet goed.
Het echtpaar, dat ik gisteren de weg wees naar het museum, had zojuist in Dordt een huis gekocht. ,,We waren liever in Rotterdam gebleven, maar daar konden we écht geen huis betalen. Toen zijn we in de regio gaan zoeken. Hier is het nog nét te doen. Mooie stad trouwens… nooit geweten.’’
Eigenlijk moet ik me vereerd voelen dat Rotterdammers momenteel zo massaal naar Dordt ‘afzakken’ en geloof me, ik gun het Rotterdamse stel de wereld hoor… het is alleen zo pijnlijk dat zóveel jonge Dordtenaren, ook mede hierdoor, naast tóch al veel te dure potjes piesen.