
Het feit dat de plaatselijke VVD, bij monde van raadslid Rolin den Heijer, een ‘alarmbelletje’ doet rinkelen over de soms wat lage bezettingsgraad van het Energiehuis, lijkt me niet meer dan terecht. Daar ben je immers raadslid voor… om het college te controleren, ‘aan te sturen’ en, waar nodig, te wijzen op zaken die voor verbetering vatbaar zijn. Kortom, met dat kritiekpunt ben ik het eens. Waar ik echter wat moeite mee heb is met Den Heijers’ kritiek dat het Energiehuis een ‘veel te gesloten vesting’ zou zijn. Dat is namelijk gewoon niet waar. Nu heb ik op zich best een zwak voor dit ambitieuze raadslid hoor, maar dát soort kretologie ‘riekt’ me dan weer nét een tikkie te veel naar (scorings-gedreven) populisme. Ach… laat ik die opmerking, om in theatertermen te blijven, maar bestempelen als een kreet voor de bühne.
Feit is namelijk dat het inmiddels bijna elf jaar lang bestaande Energiehuis (met Kunstmin en Bibelot als voornaamste huurders) door het publiek wel degelijk omarmd wordt. Wél komt het nog té vaak voor dat bepaalde ruimtes in dit toch zeker dikwijls bruisende cultuurgebouw, nog té vaak leegstaan. De gemeente moet hier jaarlijks nog veel geld bijleggen en dat bedrag kán natuurlijk omlaag als je wat meer commerciële partijen de gelegenheid zou bieden om hier ook ruimtes te huren.
Een jaar of negen geleden schreef ik al eens dat het oorspronkelijke ‘ bedrijfsplan’ van het Energiehuis wellicht wat té rooskleurig van opzet was en – misschien nog wel belangrijker – het ‘verhuurbeleid’ is nog altijd behoorlijk rigide. Wat ik daarmee bedoel (en wat ook Den Heijer aangeeft) is dat je hier misschien ook ‘huurders’ moet gaan toelaten die niet per definitie ‘cultuur-gerelateerd’ zijn; ik bedoel… waarom geen advocatenkantoor of architectenbureau? Of misschien zijn er wel zalen geschikt te maken om er te sporten?
Kortom, het lijkt me zéker geen verkeerde zaak om daar eens scherp naar te kijken.