
,,U bent toch die meneer van de krant?’’
Die vraag krijg ik, na 15 jaar columns schrijven, wel vaker om de oortjes geslingerd, maar dit keer voelt het tóch anders aan. Een in Schots motief geklede dame op leeftijd spreekt mij op vastberaden toon aan. Vanuit een buggy, die tevens dienst doet als rollator, kijken twee teckels (eveneens gehuld in Schots geruite jasjes) me bestraffend aan. Even voel ik me als die 14-jarige scholier die op het matje moest komen bij de schoolleiding, vanwege een flauw grapje… iets met een aardappel in de uitlaat van een docentenauto, zo herinner ik me. Ik keek die middag in dat docentenkamertje zo schuldbewust mogelijk, maar mijn medeverdachte verprutste de kans op enige mildheid in het verdict van de conrector. Op haar opmerking dat onze ‘strafkaart’ nu bijna vol was, antwoordde hij namelijk met de woorden: ,,Mens, schrijf dan ook wat kleiner.’’ En ja, tóen was de kaart ineens helemáál vol; er volgde een schorsing van een week, die gepaard ging met ‘een brief op poten’ aan mijn ouders.
Terug in het heden zet ik me schrap voor een tirade met, naar ik verwacht, felle kritiek op een recente column. Die komt er niet; in plaats daarvan verschijnt op het gezicht van de vrouw een charmante glimlach ,,Ik lees graag uw columns, al ben ik het niet altijd met de inhoud ervan eens. Nu wil het feit dat ik de krant al een week lang niet meer ontvang en aangezien ik bij uw hoofdkantoor maar geen levend mens aan de lijn krijg, hoop ik dat u mijn klacht zou willen doorgeven.’’
Het probleem (een ‘wissel’ van bezorgers) zal, zo is mij door de bezorgafdeling beloofd, na het weekend zijn opgelost. Tot die tijd bezorg ik de Schotse dame, zo tegen het middaguur, mijn eigen krantje. Columnist, journalist, bezorger… mij maakt het niet uit. Je blijft uiteindelijk toch ‘die meneer van de krant’, nietwaar?