
In alweer mijn zestiende jaar als columnist op dit eiland weet ik inmiddels één ding zeker: je kunt het nooit iedereen naar de zin maken. Voor de een ben je te links, voor de ander juist weer te rechts. Hoe dan ook… je draagt, in de ogen van sommige lezers, altijd wel een of andere clubkleur. In de afgelopen jaren was ik ondermeer een zuurpruim, een bomenknuffelaar, een boze boomer, een beroepspositivo, een ouwe hippie, een drammer, een populist en – die vind ik nog het leukst – een grachtengordelcolumnist.
Dat schrijf ik niet om te klagen hoor, want daar tegenover staat dat ik minstens zo vaak positieve reacties op mijn columns ontvang. En nee, daar ga ik niet van naast mijn schoenen lopen, zoals ik trouwens ook niet gebukt ga onder de soms wat grimmige respons. En trouwens… dreigers, beschimpers en chronische leegschedels verdwijnen bij mij al sinds jaar en dag sowieso achter de blokkeerknop.
Het halen van ‘gelijkjes’ is overigens wel het laatste wat ik met mijn columns beoog. Ik wil juist en vooral ‘stof tot nadenken’ opwerpen en ik beschouw het daarbij als mijn voornaamste taak om dat, mits het onderwerp dat toelaat, op aangename toon te doen. Een beetje zelfspot hoort daar ook bij.
Alleen… discussies aanslingeren, zo weet ik uit ervaring, doe je altijd het best door eerst zélf een stevig standpunt in te nemen. En ik weet het… dat kán ik natuurlijk ook láten, maar voorzichtig geformuleerde pennenvruchtjes met veel gemits en gemaar vind ik simpelweg te saai om te schrijven.
Waarom uitgerekend vandaag deze, misschien wat ál te persoonlijke column? Omdat ik de afgelopen winter, misschien wel voor het eerst in mijn leven, als té lang, té koud en té nat ervaren heb. Gisteren is officieel de lente aangebroken en ik wil eigenlijk maar één ding: naar buiten, met Blafmans.
En daarom heb ik vandaag voor één keer gewoon even eh… geen mening.