
Ik kom even terug op mijn column van afgelopen zaterdag. Die ging over het feit dat het college van b&w onlangs heeft uitgesproken de 175 kunstobjecten in (en ván) deze stad voor de toekomst te willen bestendigen. Dat vind ik mooi nieuws want een stad met veel kunst ‘op straat’ is een mooiere en fijnere stad. Niet voor niets zit ik momenteel in een werkgroepje dat bezig is een beeld gerealiseerd te krijgen van wijlen schrijver/dichter Kees Buddingh’. Ook ben ik blij met het initiatief – van weer een andere werkgroep – om het beeld ‘Hanneken van Dordrecht’ (van Gerhard Lentink) ergens in de stad te laten verrijzen. En voordat u nu roept: dat kost alleen maar geld en we móeten al zoveel bezuinigen… veel kunstwerken alhier kwamen tot stand dankzij particuliere geldstromen; er wordt op dit gebied dus zeker niet met belastingcenten gestrooid, al gaat er natuurlijk altijd wel wat publiek geld naar het onderhoud van sommige werken. Momenteel bijvoorbeeld wordt hard gewerkt aan een opknapbeurt van het Fonteinlandschap op de Reeweg-Zuid.
Toch wil ik nog eens de aandacht vestigen op twee gevalletjes ‘verpieterkunst.’ Het beeld van de vechtende kinderen staat op de Noordendijk momenteel volledig ‘uit context’ (het hoorde immers bij het schoolcomplex aldaar) en verdient een betere locatie. Iemand suggereerde dat het Energieplein er een prima plek voor zou zijn en daar ben ik het mee eens. En dan is er nog dat prachtige Mobilarium dat (tót 2016) voor het DSW-gebouw aan de Kamerlingh Onnesweg stond. Dit werk, dat momenteel ergens in een gemeentelijke opslagplaats ligt weg te rotten, zou fraai tot zijn recht komen op Stadswerven. Daar pleitte ik tien jaar geleden al eens voor en het toenmalige college van b & w verzekerde me destijds dat dit meesterwerk (van de bij leven internationaal vermaarde kunstenaar Bruno Mertens) voor Dordrecht behouden zou blijven. Die belofte is tot op heden nog niet waargemaakt.