
Soms ontstaat een goed idee precies daar waar lichte spot en oprechte trots elkaar raken. Een standbeeld voor de frikandel in Dordrecht is zo’n geval. Je grijnst even, maar daarna denk je: waarom eigenlijk niet? Dat ding is hier geboren, is uitgegroeid tot nationaal erfgoed en heeft meer Dordtenaren verenigd dan menig historische gebeurtenis.
Bovendien staan we niet alleen. In Tiel prijkt al decennialang Flipje, het fruitbaasje dat ooit jam verkocht en nu als bronzen mascotte de stad bewaakt. Niemand vraagt zich daar nog af of een reclamefiguur wel standbeeldwaardig is. Flipje is Tiel. Klaar.
Ook elders wordt eten zonder schaamte op een sokkel gezet. In Gouda en Alkmaar staat kaas symbool voor stad en streek, in Berlijn kreeg de curryworst zijn eigen eerbetoon en wie verder kijkt, ziet hoe ver het soms kan gaan. In het Britse Burton upon Trent bijvoorbeeld staat een monumentale pot Marmite… niet omdat iedereen dat malle smeersel zo lekker vindt, maar omdat het product onlosmakelijk bij die gemeente hoort.
Aan de andere kant van de oceaan doen ze het niet bepaald subtieler. In Rapid City, South Dakota (USA) werd een metershoge Quarter Pounder neergezet als eerbetoon aan de hamburger en in veel Amerikaanse plattelandsgemeentes vind je reusachtige appels, aardappelen en hotdogs langs de weg, als trotse bakens van lokale identiteit.
Zo bezien is een Dordtse frikandel ineens allesbehalve gek. Kunst hoeft niet altijd verheven te zijn; heerlijk herkenbaar met een vette glimlach is ook prachtig.
Zelf zit ik in een werkgroep die ijvert voor een duobeeld van schrijver Kees Buddingh’ en tekenaar Otto Dicke. Dat zo’n beeld er niet zomaar staat weet ik inmiddels uit ervaring; je hebt geld nodig, een plek en een gemeentebestuur dat niet meteen in de kramp schiet.
Dus laat dat beeld maar komen. Geloof me, dat wordt een selfie-magneet voor toeristen en bovenal: een monument dat toont wie ‘we’ zijn: nuchter, eigenwijs en niet bang voor een vette bek.