
Ik raak met Lowie aan de praat op een bankje aan de Merwekade. Het gezicht van de oude zwerver is een landkaart van weer en wind; rimpels als looproutes, littekens als tussenstops. De seizoenen hebben hem niet gespaard; ze hebben op hem geoefend.
We kennen elkaar een beetje en daarom weet ik dat Lowie vroeger, toen hij nog jong was en zijn knieën meer ambitie hadden dan roest, in het najaar altijd met de vogels mee vloog naar het zuiden.
,,Nee, niet letterlijk vliegen natuurlijk, maar ik volgde ze wel; lopend… tot in Spanje toe zelfs. Ik hoefde onderweg alleen maar omhoog te kijken en dan wist ik welke kant ik op moest. Ver? Nee joh. Als je geen haast hebt en ook geen specifiek einddoel dan is niks ver.’’
Tegenwoordig lukt dat niet meer. De vogels vertrekken nog steeds elk najaar, maar Lowie’s stramme benen hebben intussen de dienstregeling aangepast; te veel kilometers, te veel jaren, te veel pijn aan de gewrichten. ,,Op een dag besloot ik niet meer achter de vogels aan te gaan. Dat viel aanvankelijk niet mee hoor, want slapen in portieken in Dordtse winternachten was voor dit ouwe lijf zéker geen feest.”
Lowie vertelt het op de realistische toon van iemand die ervaren heeft dat klagen een zwerver zelden medeleven oplevert. ,,Ach, weet je… ik mág ook helemaal niet mopperen, want sinds kort heb ik een eigen kamertje bij het Leger des Heils; met een deur die dicht kan en met een bed dat er de volgende dag nog gewoon staat. Op zich een zegen, maar wel wat saai. Soms zit ik bij het raam en zie ik de vogels gaan. In gedachten reis ik dan altijd met ze mee; een klein stukkie maar. Zij vertrekken om te overleven en ik realiseer me nu dat ik, om precies diezelfde reden, achter moet blijven. Dat doet soms pijn, maar ja… het is helaas nu eenmaal wat het is.’’