
In de jaren dat ik columnist ben voor deze krant – en dat zijn er inmiddels al bijna zestien – heb ik Dordt zien veranderen zoals alleen een stad dat kan: langzaam, eigenwijs en met af en toe een steiger of een hijskraan op een onhandige plek. Waar vroeger vooral gemopper regeerde, is er nu verrassend veel glimlach. Terrassen verschenen waar eerst alleen tegenwind heerste, gevels werden opgepoetst en Dordtenaren, vanouds toch notoire zelfkastijders, lijken vandaag de dag iets rechter te lopen.
De stad werd groener, vriendelijker en een tikje zelfbewuster. Er kwam steeds meer horeca bij, nieuwe buurten werden geboren en toeristen uit alle windstreken, op zoek naar een Amsterdam zonder TikTok-rijen, domineren tegenwoordig het binnenstedelijk straatbeeld.
En ja, natuurlijk mopperen we nog steeds, want dat hoort bij Dordt zoals water bij het eiland. Maar het gemopper klinkt zachter; meer als een vertrouwde brom dan als een noodsignaal.
Mijn dagelijkse omzwervingen maak ik vooral met Blafmans, mijn viervoeter en moreel kompas. Blafmans kent het eiland beter dan Google Maps en heeft uitgesproken meningen over steegjes, grasstroken en verdachte vuilnisbakken. Waar ik nostalgisch word van een oud straatje, staat mijn hond stil omdat hier ooit, vermoedelijk nét na de Eerste Vrije Statenvergadering, een andere Blafmans iets belangrijks heeft achtergelaten. Geschiedenis is tenslotte ook geur.
Samen dwalen we door Dordt als door een eindeloze column. Elke hoek een anekdote, elke stoeptegel een herinnering.
Wat me opvalt, na al die jaren schrijven, is hoe Dordt zichzelf telkenmale opnieuw durfde uit te vinden; oude panden kregen nieuwe functies, jonge mensen bleven hangen en heel af en toe ontwaar ik zowaar zelfs iets wat op trots lijkt.
En ik? Ik dwaal verder… met Blafmans, in een stad die ijzerenheinig doorgaat met veranderen zonder zichzelf écht kwijt te raken.
Misschien is dát wel de reden dat ik hier nooit vertrok: een stad als Dordt schrijf je niet van je af. Die draag je met je mee… voor altijd.