
Ooit noemde ik Dordrecht in deze column de moeder aller provinciesteden. Dat was niet denigrerend bedoeld hoor, maar gewoon een constatering van feiten. Want hoe je het ook wendt of keert… hoe intens de grote-stads-allures en -pretenties hier op dit eiland soms ook mogen zijn, we blijven gewoon een ordinaire, maar o zo leuke provinciestad die zo’n driehonderd jaar geleden zijn enige echte hoogtepunten beleefde. Ik voel me hier als import-Rotterdammer al tientallen jaren meer dan thuis, sta achter de plaatselijke FC, hou veel van de oude binnenstad en ben nog dagelijks verliefd op het Dordrechts Museum, ’t Hof, het Scheffersplein, schouwburg Kunstmin, Vissers Poffersalon en Café De Tijd.
Een provinciestad kenmerkt zich in eerste instantie door de aanwezigheid van een paar hoognodige instellingen, zoals bijvoorbeeld een station om je naar de dichtstbijzijnde grote stad te brengen, een ziekenhuis met een regionale functie, een gemeenteraad van minimaal MAVO-niveau, voetbalclubs met meer historie dan toekomst, een ruime begraafplaats en een paar winkels uit de ABC-hoek (Albert, Blokker en C&A). Een ander kenmerk van een provinciestad is de aanwezigheid van op z’n minst één groot postkantoor.
Dat zal voor altijd wel zo blijven, dacht ik. Maar ik dacht weer eens verkeerd. Het zijn nu eenmaal malle tijden. Het kneuterige Nederland van weleer bestaat niet meer. Vroeger riep je in het buitenland, nog wel eens vol trots dat je uit Holland kwam (‘Kroef, Croeyf, Cruyff, Goelliet. Olanda olé, kijke kijke nie kope, Amsterdam, smokie smokie, Red Light District, very cheap, Nixon moordenaar en kruisraketten de wereld uit’) en dat leverde nog wel eens een gratis biertje op.

Tegenwoordig kun je je paspoort maar beter diep in je achterzak verstoppen en héél hard roepen dat je een Duitser bent, want in veel landen kunnen ze ons bloed inmiddels wel drinken. Onze grote bek, waar we vroeger zo trots op waren, zou ons de komende tijd nog wel eens een hoop moeilijkheden kunnen gaan opleveren, Wilders windbuilt wraakzucht, Verdonk voert vreemdelingenhaat en Hirshi Ali flirt financieel met Fransozen. Ook op gemeentelijk niveau is het vaak huilen met een hysterisch lachje geblazen. Of is het lachen met een traan? Dordtenaren rijden straks in biobussen, zien Stadswerven sterven en gaan ongemerkt akkoord met een brug over het Vlij die er uiteindelijk tóch weer wel komt omdat een slimme ambtenaar tussen neus en lippen door de wetgeving naar zijn hand heeft weten te zetten. Intussen houdt de gemiddelde Dordtenaar zich méér bezig met het completeren van de smurfenverzameling dan, laten we zeggen met het ontdooien van de poolkappen en presenteert Dries Rioolvink zijn een eigen kledinglijn. Dat laatste vind ik overigens ook het ergste. Nou ja… bijna dan, want véél erger is het dreigende verlies van ons goeie ouwe postkantoor aan de Johan de Wittstraat. Wat moet deze stad straks zonder deze vertrouwde instelling? Toegegeven, het gebouw handhaaft zich al decennia lang in de top vijf van lelijkste gebouwen van de stad, maar we zullen het instituut toch gaan missen. Het postkantoor is immers het laatste sociale bolwerk voor mensen zonder stamkroeg of dominee. Waar moet de grote grijze golf straks naartoe met haar vragen over postzegels, visaktes, overschrijvingen van auto’s en postpakketjes voor familieleden in Afghanistan, Suriname of Canada? Trouwens, waarom moeten postkantoren eigenlijk verdwijnen? Als ik er kom is het steevast druk en moet ik een nummertje trekken. Hier klopt iets niet!
Is Nederland straks het enige land ter wereld zonder postkantoren? Hoe verhoudt een stad als Dordrecht zich straks nog tot Kabul-zuid, Waregem en Darfur-Buiten? We staan voor gek, want zelfs daar hebben ze nog wél echte postkantoren. Dordt heeft ook al géén bioscoop, veel winkelstraten staan deels leeg, uitzendbureau’s, telefoonwinkels en tijdelijke outlet-stores voeren de boventoon. Als straks het postkantoor dan óók eens nog weg is, zijn we zelfs niet meer de moeder aller provinciesteden. Nee… Dordt is dan verworden tot het dorpste dorp aller dorpen.
Kees Thies