
Nog altijd lees ik ze met plezier… de autoverhalen in onze wekelijkse krantenrubriek ‘Mijn Blik en Ik.’ En nee, ik ben geen kenner hoor… de belangrijkste eisen die ik tegenwoordig aan een auto stel zijn: een hoge instap, comfortabele stoelen en een goeie audio-installatie. Het zal de leeftijd wel zijn.
In eerdere columns schreef ik al over mijn allereerste karretje… een vuurrode lelijke eend waaronder twee vrienden stukken treinrails hadden gelast, omdat de steunbalken het begeven hadden. Een op zich geslaagde ‘operatie’, alleen was mijn eendje nu dermate zwaar geworden dat ‘ie niet meer op eigen kracht over de helling van de Brienenoordbrug kon. Dat werd voortaan omrijden via Zuid dus.
De opvolger was een helblauwe Lada… die vooral vierkant, traag en zuiplustig was. Maar ach… het was simpelweg de enige auto die ik me destijds als stagiair bij Het Vrije Volk (1200 piek) kon veroorloven. Later verkocht ik hem aan een Russische handelaar die in de Rotterdamse haven met zijn schip klaar lag om ouwe Ladaatjes op te kopen, waarvan de onderdelen in zijn vaderland kennelijk schaars en dus geld waard waren. Terwijl mijn trouwe blauwe maatje met een hijskraan het schip opgetakeld werd rekende hij hoogstpersoonlijk mijn vraagprijs af: 1200 gulden… exact wat ik er drie jaar eerder voor betaald had.
Eén autoverhaal heb ik u nog onthouden, namelijk die van mijn derde aankoop: een spierwitte Austin Metro. Met die, toen nét aangeschafte ‘arremeluismini’ besloot ik (samen met mijn toenmalige vriendin, nu echtgenote) naar Portugal te rijden. Alleen toen ik op de ochtend van de reis met twee grote koffers naar mijn karretje liep, bleek hij – op een parkeerplaats in de Boogjes – ‘op z’n ruggetje’ te liggen. Nachtelijk geintje van wat dronken onverlaten vermoed ik. Met hulp van zo’n beetje de halve straat hebben we mijn Metrootje, vrijwel schadeloos, weer op z’n wieltjes kunnen zetten. Nooit eerder ben ik op een vakantiereis zó massaal uitgezwaaid.