
Ooit was de raadszaal een plek van debat. Nou ja, officieel is het dat nog steeds, al doet de sfeer soms eerder denken aan de eerste rij bij een bokswedstrijd, waar burgers (én soms politici zelf) hun frustratie rondstrooien als confetti op een carnavalsfuif. Voorzitter? Scheidsrechter. Interruptiemicrofoon? Megafoon voor woede. En fatsoen? Dat is als een losliggende stoeptegel in het winkelgebied: ooit stevig verankerd, nu scheef, wiebelend en klaar om je onderuit te halen.
Abdullah Uysal, voorzitter van de Vereniging voor Raadsleden én raadslid in Dordrecht, noemde het raadslidmaatschap ‘de mooiste hondenbaan die er is.’ En verdomd… hij heeft gelijk. Want wie vandaag plaatsneemt in die politieke arena, ‘dealt’ niet met louter dossiers, maar ook met mentale uitputting, veroorzaakt door publieke kritiek van zolderkamertjeshelden op Facebook met het IQ van een wattenstaafje. Je wordt tegenwoordig al van landverraad beschuldigd omdat je voor een autoluwe binnenstad stemt, óf – God verhoede – de komst van een AZC steunt.
De lokale democratie kraakt in haar voegen. Waar raadsleden zich vroeger nog in betrekkelijke rust konden vastbijten in wazige bestemmingsplannen of mysterieuze uitgaven aan gemeentelijk groen, staan ze nu oog in oog met het moppervolk… soms letterlijk, aan de voordeur.
En dan zwijgen we nog over de digitale trollenbrigade, voor wie ‘respect’ dient als camouflagekleed voor hun verbale molotovcocktails: luidruchtig, vaak giftig, zelden verlichtend en nooit ‘geworteld’ in feitelijke kennis.
En dus… hulde voor de raadsleden die, ook met de soms wel érg populistische tegenwind recht in hun gezicht, fier rechtop blijven staan. Zij zijn de wifi van de democratie: soms traag, soms haperend, maar o wee als ze wegvallen.
Want laten we wel wezen: als straks alleen de TL-buizen nog oplichten boven lege stoelen, omdat niemand het nog opbrengt om zich vrijwillig te laten opvreten door het algoritme der meningen, dan is de democratie niet in crisis. Dan is ze in quarantaine.