
Het blijft een fascinerend schouwspel: zodra de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen verschijnt, springen op sociale media hele troepen brulapen uit het digitale struikgewas. Plotseling is iedereen staatsrechtgeleerde, gewapend met hoofdletters en een overschot aan kennisgebrek.
Neem nou bijvoorbeeld Papendrecht. Daar werd vorige maand flink gestemd. De PVV werd er de grootste partij, met 3.070 roodgekleurde vakjes: goed voor 21,6 procent van het totaal aan uitgebrachte stemmen. Dat klinkt indrukwekkend, tot je beseft dat Papendrecht 25.790 stemgerechtigden heeft en slechts 55,4 procent daarvan kwam opdagen. Reken even mee: dat betekent dat ongeveer 12 procent van alle stemgerechtigde Papendrechters op de PVV stemde. De overige 88 procent dus niet.
Toch klinkt op sociale media steevast dezelfde oerkreet: ‘De grootste partij moet regeren!’ Alsof de gemeenteraad een soort politiek Eurovisie Songfestival is waar het credo ‘The winner takes it all’ automatisch opgeld doet. Alleen gaat die vlieger niet op: onze democratie werkt niet op ABBA-logica. In Nederland regeert niet de winnaar, maar de combinatie van partijen die samen een meerderheid kunnen en willen vormen.
En een meerderheid begint in Papendrecht bij twaalf zetels. De PVV haalde er zes en dat zijn er nog altijd te weinig om zelfs maar een nieuwe deurmat voor het gemeentehuis te mogen bestellen.
Het idee dat de grootste partij móét regeren is dus geen democratisch principe, maar een hardnekkige misvatting. Het systeem dat we in dit land hanteren is juist ontworpen om te voorkomen dat volume belangrijker wordt dan inhoud. Je kunt – in welke gemeente dan ook – pas gaan besturen als je genoeg overeenkomsten met anderen vindt om liefst vier jaar achtereen – samen te werken. Da’s niet altijd makkelijk en vergt soms ook offers maar zó werkt het nu eenmaal.
Wie dat niet begrijpt, moet niet harder gaan brullen, maar zich simpelweg beter verdiepen in onze Staatsinrichting. Dat was gewoon verplichte stof op de middelbare school hoor… óók in Papendrecht.