
Vroeger was hij serieus boos op me, als ik me wat ál te kritisch over ‘zijn’ DuPont had uitgelaten. Dan had er bijvoorbeeld ‘iets’ gelekt en ik wilde dan, als verslaggever, precies weten hoe dat kon gebeuren en hoe gevaarlijk het goedje was dat in bodem of rivier terecht was gekomen. ,,Je moet niet zo doordrammen; de producten die we maken zijn nu eenmaal onontbeerlijk voor de samenleving… daar profiteren we allemaal van. Door steeds te benadrukken wat er mis gaat maak je ons bedrijf kapot. By the way, die Amerikanen weten heus wel wat ze doen hoor. De veiligheidsvoorschriften zijn hier zó streng dat we zelfs boetes uitdelen aan werknemers die zich er niet aan houden.’’ Of ik dát in mijn oren wilde knopen en ik moest óók niet vergeten dat zijn werkgever op sponsorgebied en met giften aan goede doelen veel aan de lokale gemeenschap bijdroeg.
Het was loyaliteit met een welhaast religieus karakter.
Nu komen we elkaar geregeld tegen in de binnenstad en de crisis rond Chemours en de columns die ik hierover schrijf vormen dan niet zelden het gespreksonderwerp. Toen ik hem onlangs aansprak op zijn altijd zo defensieve houding met betrekking tot mijn ‘lastige’ vragen, reageert hij emotioneel: ,,DuPont was voor mensen van mijn generatie zóveel méér dan een bedrijf… het was een familie en daar wilde je bij horen omdat het ons financiële zekerheid en een toekomst verschafte. We wisten best dat er wel eens wat mis ging en misschien waren we soms zelfs wel bewust naïef, maar we hadden óók een inkomen, een huis, een autootje, vakantiedagen en prima pensioenvooruitzichten… dingen die onze ouders niet of nauwelijks hadden. En nee, dat is zéker geen excuus, maar ik heb nu het gevoel dat ik een soort oorlogsmisdadiger ben… dat ik mijn pensioen niet eens waard ben. Zou je aan die kant van de medaille ook eens een column willen wijden?’’
Bij deze dus.
Dat figuur snapt het dus steeds niet en wenst zijn discutabele huid te redden. Daar werk ik niet graag aan mee, jij toch ook niet?