
Toen ik een jaar of tien was – vlak voordat we met ons gezin vanuit Hoogvliet naar het onbekende Dordt vertokken – won ik een opstelwedstrijd voor scholieren, georganiseerd door een regionale krant. De hoofdprijs was (naast een boekenbon) dat het winnende opstel een prominente plek in de krant zou krijgen. En inderdaad, daar stond mijn pennenvruchtje dan, op pagina 6… mijn naam er onder in een fraai lettertype. Even voelde ik me wereldberoemd in Rotjeknor en vanaf die dag wist ik het zeker: ik zou journalist worden.
Mijn opstel ging over oorlog en dat eh… oorlog héél stom is; het ging ook over mijn ouders en grootouders die de oorlog hadden meegemaakt en dat we daar thuis, aan tafel, nog wel eens over spraken. Mijn opa in het Westlandse Ter Heijde – zo vertelde mijn moeder – moest (in de herfst van 1940) zijn radio inleveren bij de bezetter. Wél had hij de kostbare lampen er uit gehaald en in zijn tuin begraven. Een NSB’er snauwde hem bij die overhandiging toe: ,,Dat ding is niet compleet… er zitten geen lampen in.’’
Opa Kees (ik ben naar hem vernoemd) antwoordde hondsbrutaal: ,,Ik weet niet waar je het over hebt. Hij heeft altijd zo gespeeld.’’
Hij kwam er mee weg. De NSB’er, dorpsgenoot en – nét als mijn opa – werkzaam in een tuinderij, maakte er verder geen werk van. Na de bevrijding heeft mijn grootvader die radio weer opgehaald, z’n lampen opgegraven en jawel… hij deed het nog.
Toen ik gisteren, bij het opruimen van een ladekast, dát verhaal (ingeplakt in een fotoboek) na vele jaren weer onder ogen kreeg, moest ik slikken toen ik de slotzin las van wat in retrospectief mijn állereerste column bleek te zijn. ‘Alsjeblieft God, laat het nooit meer oorlog worden!!!’
Die kinderlijke smeekbede, met drie uitroeptekens, wilde ik u niet onthouden, in het jaar dat we in ons land acht decennia bevrijding vieren.