
Over ruim twee maanden is het zover. Dan gaat de Papendrechtsebrug dicht. Negen maanden lang, maar liefst. Toch merk ik dat ik de mogelijke gevolgen van die naderende afsluiting nog altijd wat achteloos voor me uitschuif. Misschien komt dat omdat mijn werk zich al jaren op het eiland afspeelt. Wat voor mij zal sneuvelen is mijn zomeravondritueel met lief en Blafmans: auto parkeren bij het kerkje aan de Kerkbuurt en dan langs de Papendrechtse oever (met prachtig uitzicht op Dordt) lekker kuieren richting het parkje bij Fokker. Daarna afsluiten met een drankje bij Willaerts. Da’s geen wandeling, dat is een mini vakantie. En tuurlijk… ik kan straks omrijden of een pontje pakken, maar dat haalt tóch de ziel uit het ritueel. Feit is dat ik straks dus minder vaak in Papendrecht een paar tientjes stuk sla.
En dit is geen eenrichtingsverkeer. Dordrecht, Papendrecht en Sliedrecht zijn economisch met elkaar verweven als broers die elkaar soms vervloeken, maar niet zonder elkaar kunnen. Dordtenaren pakken graag een voorstelling in De Willem mee. Papendrechters en Sliedrechters komen juist naar Kunstmin, het Energiehuis, de horeca aan het Scheffersplein, de markt en de binnenstad. Dat zijn stromen die straks deels stilvallen en dat zal voelbaar zijn in verkoopcijfers, ofwel in omzet.
Hoe ‘voelbaar’ precies zal pas hooguit over een jaar écht meetbaar zijn. Feit is echter dat die onvermijdelijke ondernemersschade (dat zegt namelijk de wet) simpelweg niet op het Rijk te verhalen is. Dit ondanks het feit dat de Algemene Rekenkamer jaren geleden al tot de schrikbarende conclusie kwam dat tijdiger onderhoud veel brug-ellende had kunnen voorkomen.
Kortom, als de Rekenkamer zwart op wit vaststelt dat het Rijk jarenlang te laat ingreep, lijkt het me niet meer dan redelijk dat ondernemers niet óók nog eens voor die nalatigheid moeten gaan boeten. Hoog tijd dus volgens mij dat juristen nu uitgebreid gaan toetsen of die ‘wetsregels’ eigenlijk nog wel van deze tijd zijn.