‘Ik kom uit Dordt, maar ik ben verder héél normaal hoor…’


Toen ik begin jaren tachtig als chronische wereldverbeteraar mijn eerste stappen in de journalistiek zette, was Dordrecht een stad die vooral leefde van herinneringen. We leken een beetje op Feyenoord in die dagen: de grootste triomfen lagen ergens diep in het verleden opgeborgen. Wanneer iemand van buiten de stad vroeg waar ik vandaan kwam, voelde ik bijna automatisch de behoefte om mezelf te verdedigen. ,,Uit Dordt,” zei ik dan, gevolgd door een ongemakkelijke glimlach en de toevoeging: ,,Maar ik ben verder heel normaal hoor.”
De stad werkte ook niet bepaald mee aan een beter imago. Landelijke aandacht kregen we meestal alleen wanneer er iets misging: rellen in Krispijn, een schilderijenvernieler in het museum, een ontvoerde baby uit het ziekenhuis, een wethouder die zichzelf van het leven beroofde en een voetbalclub die vaker van naam wisselde dan van trainer. Soms leek het alsof Dordrecht wekelijks auditie deed voor een nieuwe malle dramaserie.
Maar ergens rond de eeuwwisseling veranderde de toon. Eerst bijna aarzelend, alsof de stad zelf nog moest wennen aan haar herwonnen zelfvertrouwen. Daarna volgden de grote televisie-evenementen: Koningsdag, The Passion en de landelijke intocht van Sinterklaas. Ineens zag heel Nederland wat wij allang hadden kunnen weten: Dordrecht bezit schoonheid, karakter en geschiedenis.
Ook filmmakers ontdekten de stad. Onze havens, stegen en monumenten bleken moeiteloos de late middeleeuwen, de Gouden Eeuw, de negentiende eeuw en zelfs het Rotterdam van vóór het bombardement te kunnen verbeelden.
Vandaag is Dordrecht een geliefd toeristenalternatief voor Amsterdam: monumentaal, sfeervol en zonder eindeloze wachtrijen. En misschien is het mooiste nog wel dat Dordtenaren vandaag de dag openlijk trots durven zijn op hun woonplaats.
Nu, veertig jaar later kan ik het zonder enige gene zeggen: ik woon in Dordt. En tegenwoordig knikken vrienden van ver daarbij instemmend; alsof ik ooit een uitzonderlijk verstandige keuze heb gemaakt.
Dat moest ik gewoon even kwijt… vandaag in mijn 4000ste column voor deze krant.

Plaats een reactie