
Dordrecht is een stad die altijd wist waar ze goed in was: áánpakken. Niet lullen maar poetsen… minder vergaderen, méér dóen. We zijn een échte vmbo‑stad, zeiden we dan, met een mengeling van trots en nuchterheid.
Maar de cijfers vertellen een ander verhaal. Het vmbo krimpt op dit eiland. Tien jaar geleden zat 58 procent van de bovenbouwleerlingen daar; nu is dat 56 procent. Vooral jongens haken af: 860 toen, 680 nu. En dat terwijl de arbeidsmarkt momenteel juist schreeuwt om praktisch talent.
Tegelijkertijd stijgt het aantal theoretisch opgeleiden. Aan de randen van de binnenstad ging het aandeel hbo/vwo’ers van 49 naar 70 procent; in de wijk Dordtse Hout ligt dat zelfs op 73 procent. De stad wordt slimmer, zeggen we dan, maar slimmer is niet per definitie hetzelfde als beter functionerend. Want wie bouwt straks de huizen voor al die hoogopgeleiden? Wie repareert de warmtepompen? Wie rijdt de bus? Wie zorgt ervoor dat Dordrecht niet vastloopt in haar eigen ambities?
Het echte probleem is het stigma. Vmbo is het advies waar ouders hun stem bij verlagen, alsof het om een alarmerende medische diagnose gaat. Alleen eh… zónder vmbo’ers valt de stad stil. Dan blijft het dak lek, blijft de bus weg, zijn er geen handjes aan het bed en blijft de stad hangen in theoretische luchtfietserij.
Wat moet er gebeuren? In eerste instantie: opleidingssnobisme middels allerhande imagocampagnes nóg harder bestrijden. Een vmbo‑advies is geen nederlaag, maar een kansrijke route naar beroepen die deze stad draaiende houden. Daarnaast: laat kinderen op allerlei plekken in de stad (werkplaatsen, zorginstellingen) daadwerkelijk zien wat praktisch werk écht inhoudt.
En tenslotte: investeer in trots. Een goede schoonmaker houdt een stad leefbaar, een goede chauffeur houdt haar in beweging en een goede zorgverlener houdt mensen overeind.
Dordrecht mag dan theoretisch slimmer worden, maar als we niet oppassen, wordt ze praktisch dommer. En juist dát kunnen we ons vandaag de dag simpelweg niet veroorloven.