‘Velen zien me als een loser, maar dat ben ik écht niet hoor’


Ik loop met Blafmans over de Merwekade, waar een magere ochtendzon zich voorzichtig langs de gevels wurmt. De stad ademt nog bedachtzaam, in afwachting van hoe de dag verder gaat uitpakken. Nabij het Otto Dickeplein ontwaar ik een mij bekende buitenslaper… zittend op een laag muurtje, jas dichtgetrokken, zijn handen om een plastic beker die koffie bevat maar vooral dienst doet als houvast.
Hij heet Martin. ,,Zonder achternaam,’’ zegt hij er steevast achteraan. ..Die ben ik kwijtgeraakt… of misschien heb ik ’m gewoon ergens laten liggen.”
Zijn stem klinkt  – zo constateer ik – verrassend opgewekt voor iemand die zojuist een natte  nacht buiten heeft doorgebracht. Hij vertelt me dat hij elke ochtend hier begint, omdat de rivier hem rustig maakt. ,,Water oordeelt niet,” zegt hij. ,,Mensen wel.”
Terwijl hij praat, zie ik hoe hij de voorbijgangers, op weg naar de waterbus, observeert. Niet jaloers, niet verbitterd… nee, eerder nieuwsgierig, alsof hij zich afvraagt hoe het voor hen is om onderdeel te zijn van een lopende geheel. ,,Velen zien me als een loser, maar dat ben ik écht niet hoor. Het was en is nog altijd mijn eigen keuze om niet mee te lopen. Dat zien de meeste mensen dan weer niet.”
Ik weet van Martin dat hij ooit schilder was. ,,Deuren, kozijnen, dat soort werk. Ik hield van het moment dat iets weer fris werd. Alsof je een leven een tweede kans gaf.”
Die zin blijft hangen wanneer ik afscheid neem. Misschien is dát wel wat een tweede kans werkelijk betekent. Nee, niet dat je het oude leven kunt overschilderen alsof er niets is gebeurd; sommige beschadigingen krijg je nu eenmaal nooit helemáál weg.
Maar een deur die ooit bladderde, kan opnieuw in de verf. Dát dus; een verse verflaag… een tweede kans is wat ik vurig wens voor Martin, die zijn huis, zijn leven en zelfs zijn achternaam is kwijtgeraakt.
Of hou ik nou mezelf voor de gek?

Plaats een reactie