
Tien jaar geleden klonk de frustratie luid en duidelijk en dus schreef ik er destijds een column over. Waarover? Over het feit dat Dordrecht, met de introductie van toegangspoortjes aan beide zijden van het station in 2015, door de NS als het ware in tweeën werd gesneden. Die poortjes, zo voorspelde ik, gaan een obstakel vormen dat spontane wandelingen tussen de zuidelijk gelegen stadsdelen en de binnenstad gaat bemoeilijken. En nu wil ik zeker geen ‘achterafgelijkje’ scoren, maar het doet mij toch deugd dat de gemeente, nu een decennium later, toch ook wel een keer is gaan inzien wat veel Dordtenaren eigenlijk al lang voelen: die stationsportjes vormen niet alleen een fysieke scheiding, maar inmiddels ook een soort sociale barrière. Onderzoek moet nu uitwijzen hoe de wijkverbindingen verbeterd kunnen worden, want ondanks het feit dat je vandaag de dag al lang geen OV-kaart meer nodig hebt om het station te kunnen doorkruisen, voelt het blijkbaar voor veel plaatsgenoten tóch nog altijd alsof de zuidelijk van het spoor gelegen wijken en de binnenstad totaal gescheiden werelden zijn.
Voor de wat oudere Dordtenaren is de stationspassage vooral een praktische route, waar sommigen dagelijks doorheen lopen. Jongeren echter ervaren dat blijkbaar anders; voor hen, zo lees ik in mijn krant, is de binnenstad een plek om te shoppen en uit te gaan en is Krispijn ‘slechts’ een woonwijk. „Je hebt weinig contact met mensen aan de andere kant,” zegt een jeugdige inwoner van die wijk en daarin zit misschien wel de kern van het probleem.
Want hoe toegankelijk ‘voelt’ eigenlijk die stationspassage? De lift aldaar wordt omschreven als ‘echt een stinklift’, waar ouders met kinderwagens liever niet instappen. En hoewel er nu een passagepas bestaat waarmee mensen gratis kunnen oversteken (iets wat trouwens ook gewoon met je bankpas kan) blijft het toch een vreemde situatie dat je daar nog steeds moet in- en uitchecken om je eigen stad volledig te kunnen bewandelen.