
Het is zo’n herfstmiddag waarin de stad dichtklapt als een boek. De terrassen zijn leeg, de lantaarns al aan. Op een ‘boombankje’ aan de Grote Markt, kom ik hem tegen; de zelfbenoemde ‘nachtwacht’ van Dordrecht. Ik ken hem al jaren. Slapen doet hij niet… althans niet ’s nachts. Dan dwaalt hij over het eiland met in zijn rugzak een bluetoothspeaker die slome reggaeklanken over nachtelijk Dordt uitstrooit.
Eliah, want zo heet hij, kruipt pas in zijn slaapzak als het eerste ochtendlicht zich aandient. Waar? Geen idee… al heb ik ‘m dat herhaaldelijk gevraagd. ,,Ik heb zo mijn plekjes’’, zegt hij dan op mysterieuze toon. ,,Maar die ga ik jou niet aan je neus hangen amigo, want straks wil iedereen daar pitten.’’
Hij draagt een jas die ooit waterdicht was en een muts die Marley schreeuwt. Ik ken de oude zwerver als goedlachs, maar vandaag kan er geen lachje af. ,,Weet je… ik heb de zomer overleefd, maar voor het eerst in mijn leven zie ik op tegen de maanden die gaan komen.’’
Terwijl hij een frietje uit een vergeten plastic bakje inspecteert vervolgt hij zijn verhaal. ,,Weet je… vroeger trotseerde ik de seizoenen met gemak. ,,Ik sliep tot diep in november op bankjes aan de rivier met louter een regenponcho en een thermos vol brandy. Maar ja, toen was ik nog soepel. Nu kraakt alles en lukt écht slapen me nog nauwelijks. ‘’
Als ik hem vraag waarom hij dan niet aanbelt bij het Leger des Heils, kijkt Eliah me aan alsof ik hem gebied zijn ziel in te leveren.
Even later sloft hij richting Merwekade. Zijn tred gebogen, zijn speaker zacht. Marley’s Redemption Song sterft langzaam weg in de duisternis. Ik blijf nog even zitten. De stad sluit zich verder en ik besef dat zelfs de meest kleurrijke vlinders op een dag hun vleugels moeten inpakken.
De herfst valt voor iedereen, alleen voor sommigen nét iets harder.