
Achteraf schaam ik me er een beetje voor. Niet omdat ik dat geinige zomerbloesje kocht, maar omdat ik niet eerst even had gekeken waar dat ding vandaan kwam.
De Nederlandstalige website zag er betrouwbaar uit en de prijs was aantrekkelijk genoeg om mijn verstand in koffiepauze-modus te zetten. Pas na het afrekenen ontdekte ik dat mijn koopje helemaal uit China moest komen. En dát voor nog geen drie tientjes. Dan weet je eigenlijk genoeg: da’s óf een bloesje met kindertraantjes, óf een onding dat op de foto stukken mooier oogt dan straks in de spiegel op mijn inmiddels niet meer zo ranke lijf. Vermoedelijk allebei.
Dus besloot ik de bestelling te annuleren. Dat kon telefonisch. Keurig geregeld, dacht ik nog. Tot ik een robot aan de lijn kreeg. Die sprak trouwens beter Nederlands dan sommige van mijn kennissen.
Het werd een efficiënt maar zielloos gesprek. Aankoop geannuleerd, en de robot, met zwoele vrouwenstem, klonk niet eens teleurgesteld.
De laatste tijd praat ik trouwens opvallend vaak met robots. Mijn internetprovider heeft er eentje. De energiemaatschappij ook. Zelfs de klantenservice van mijn bank klinkt alsof Wall‑E een cursus klantvriendelijkheid heeft gevolgd. Ze zijn allemaal eindeloos beleefd. „U heeft een probleem? Wat vervelend voor u.” Ze zeggen het met precies evenveel gevoel als de routeplanner in mijn auto.En natuurlijk, ik snap het wel; robots zijn goedkoop, ze hoeven geen kerstpakket, ze melden zich niet ziek en vragen nooit om salarisverhoging… hooguit om een software-update.
Toch ligt hier een gouden kans voor bedrijven. Stel je de reclame eens voor: „Sluit vandaag nog bij ons een contract af. En als u belt, krijgt u gegarandeerd een echt mens aan de lijn.”
Ik zweer het: ik stap meteen over. Desnoods betaal ik een paar eurootjes meer. Gewoon om een écht mens aan de lijn te krijgen die soms – net als ik – in een vlaag van verstandsverbijstering een fout bloesje bestelt.