Sterrenburg blijft mijn persoonlijke Hotel California…


Sterrenburg wordt deze maand zestig. Dat klinkt ouder dan het is. Een wijk krijgt tenslotte geen grijze haren. Hooguit hogere bomen, nieuwe (vaak kunststoffen) kozijnen, een opgefrist winkelcentrum en bewoners die elkaar met overtuiging vertellen dat vroeger alles beter was. Dat laatste is meestal een vergissing van het geheugen.
Ik bracht er het grootste deel van mijn jeugd door. Als kind besef je niet dat je in een buitenwijk woont. Je woont gewoon in jouw wereld. De straat is een universum, het houten winkelcentrum een stad en de wandeling naar school een dagelijks avontuur.
Sterrenburg was nog jong toen ik er woonde. De bomen moesten nog groeien, net als wij. Inmiddels zijn ze volwassen geworden en werpen ze hun schaduw over straten waar ooit de eerste bewoners – veelal afkomstig uit Rotterdam en Brabant – hun nieuwe leven begonnen.
Met ruim drieëntwintigduizend inwoners is Sterrenburg nog altijd de grootste woonwijk van Dordrecht. Toch laat een geslaagde wijk zich niet meten in cijfers. De echte waarde zit ‘m in de herinneringen die mensen er opdoen en een leven lang met zich meedragen.
En natuurlijk veranderde er veel. De kinderen van Sterrenburg werden ouders en die ouders werden grootouders. Dat hoort bij een levende wijk. Stilstand is iets voor een openluchtmuseum en dát is Sterrenburg zeker nog altijd niet.
Wat bleef, is het gevoel van ruimte. Het groen. De vrijheid. Het idee dat de wereld groot genoeg was om van te dromen, maar klein genoeg om je veilig te voelen.
Ik vertrok er begin jaren tachtig. Niet omdat ik er genoeg van had, maar omdat de binnenstad met haar oude gevels, verhalen en levendige straten onweerstaanbaar trok.
Maar ergens tussen de bomen, de groene velden en het ouderlijk huis aan de Regenboogstraat bleef een stukje van mij achter. Misschien is Sterrenburg daarom wel mijn persoonlijke Hotel California. Je kunt er uitchecken wanneer je wilt… maar hélemaal verlaten? Nee… dat lukt eigenlijk nooit.

Plaats een reactie