
Toen ik begin jaren tachtig mijn eerste schreden op het journalistieke pad zette, was ‘zondagsopenstelling’ in deze regio totaal geen discussiepunt. Winkels waren dicht. Punt. De zondag had zijn vaste decor: kerkklokken, stille winkelstraten en hier en daar wat wandelaars aan wie vaak verrassend goed viel af te lezen of ze op weg waren naar de kerk of gewoon een frisse neus gingen halen. Niemand maakte zich druk over koopzondagen. Die waren er eenvoudigweg niet.
Nu, ruim veertig jaar later mogen winkels, zelfs in het godvruchtige Hendrik-Ido-Ambacht ook op zondag open. Hóeft niet… mág wel. De gemeenteraad heeft gesproken.
In het debat hierover klonk de zorg dat rust, stabiliteit en misschien zelfs een stukje identiteit verloren gaan. De lokale VVD vatte de andere kant kernachtig samen: laat mensen het gewoon zelf bepalen. Dat lijkt me niet meer dan redelijk. Wie naar de kerk wil moet daar alle ruimte voor hebben. Wie liever wandelt, voetbalt of thuis de krant leest, eveneens. Maar wie op zondag liever wat winkelt is natuurlijk niet verantwoordelijk voor het verval van normen en waarden. Je hoeft immers niet gelovig te zijn om de zondag als rustdag te waarderen. En gelovig zijn betekent evenmin automatisch dat je tegen zondagsopenstelling bent. Mensen zijn geen wandelende etiketten. Gelukkig maar.
Zelf woon ik al ruim veertig jaar in de Dordtse binnenstad en was ik eerlijk gezegd niet eens ongelukkig met ‘winkelloze’ zondagen. Toch was ik altijd vóór die mogelijkheid. Niet omdat ik zo graag op zondag winkel, maar omdat ik vind dat ondernemers die keuze zelf moeten kunnen maken. Kerk, kroeg en winkel kunnen prima naast elkaar bestaan. In grote delen van ‘rooms’ Brabant en Limburg lukt dat al generaties zonder maatschappelijke instorting. Misschien maken wij er hier soms een groter drama van dan nodig is, alsof een geopende supermarkt op zondag het begin van de Apocalyps vormt.
Meestal betekent het gewoon dat iemand nog even een pak melk haalt.