Gons


naggingAanvankelijk was het best gezellig op het terras, maar door de luidruchtige entree van een ruziënd echtpaar slaat de stemming om. Waar het even eerder nog zo heerlijk gonsde heerst nu doodse stilte.
Zij is een jaar of 50, hij zeventig of op z’n minst toch bijna. Ze beschimpt hem op een  geluidsniveau dat mij doet vermoeden dat óf de zender, óf de ontvanger hardhorend is. Hij… Harry…  is een zak en een slome duikelaar: dat zien wij toch ook wel? Of niet soms? Ik ben blij met mijn krant, waar ik lafjes achter duik.
Nu ben ik Freud niet, maar al snel kom ik er achter dat de ruzie eigenlijk niet draait om die museumjaarkaart die hij vergeten is (‘Harry, je bent een sukkel, door jou moesten we betalen’) en ook niet om die vetvlek op z’n stropdas (‘Moet je nou eens kijken Harry, ik schaam me rot voor je’). Dat ze de trein gemist hadden (‘Jij zei dat je de kaartjes in je portemonnee had gedaan Harry’) en dat hij had gezegd dat het maar een klein stukkie wandelen was van station naar museum (‘Je weet toch Harry, dat ik niet kan lopen op deze hakken?’) ligt er, goed beschouwd ook niet aan ten grondslag. Nee, zo deduceer ik binnen een minuut… beiden zijn diep ongelukkig… met elkaar en in het algemeen. Zij vertaalt haar onvrede in moppermonologen en hij heeft besloten om niet meer uit zijn zelfgegraven loopgraaf van desinteresse te klauteren. De oorverdovende stilte die op haar scheldkanonnade volgt, doet minuten aanvoelen als eeuwen. Het is de ober die het stilzwijgen doorbreekt door de bestelling op te nemen. Zij wil koffie. Hij aarzelt, tè lang naar haar zin. ,,Hij weet nóóit wat ‘ie wil… die slapzak,’’ zegt de vrouw, triomfantelijk achterom kijkend.
,,Ik vrees een boom en een touw,’’ roept een terrasgenoot in plat Dordts. Nooit eerder voelde massaal gelach zó bevrijdend aan. Zij vertrekt met woeste blik. Harry blijft zitten, lacht schaapachtig mee en bestelt een whisky. ,,Schrijf die maar bij mij op,’’ hoor ik achter me. Het terras gonst weer… opgelucht.

Advertenties