Boterham


DupontHet is nog niet eens zo lang geleden dat je er als journalist min of meer ‘ontboden’ werd. Een secretaresse noemde een dag en een tijdstip en als je geen tijd had, dan máákte je die maar. En natuurlijk deed je dat, want DuPont was machtig in de stad, sponsorde goeie doelen, had een dikke vinger in de pap op het gebied van sport en cultuur en bezorgde veel Dordtenaren een welvarend bestaan. Begrijpelijk dan ook dat het personeel voor deze Amerikaanse chemiereus door het vuur ging. Goed geschoolde werknemers ontvingen er behoorlijke salarissen, hadden relatief veel vakantiedagen, een autootje voor de deur en een aantrekkelijk pensioentje in het verschiet. En dus toog je als jong verslaggevertje op de fiets naar de Staart, waar ze je, om je nederig te maken,  altijd iets te lang lieten wachten bij de hoofdingang, Dan werd er speciaal voor jou een toegangspasje gemaakt, terwijl jij in een hokje de veiligheidsvoorschriften, die op grote kaarten aan de muren hingen, moest lezen. Eenmaal binnen mocht je noteren wat de grote baas aan je kwijt wilde. En had je nou kort daarvoor een iets te kritisch stukje geschreven over de een of andere recente ‘lozing’ in lucht of water, dan werd je fijntjes medegedeeld ‘dat het bedrijf écht niet hóefde te adverteren in jouw krant en dat één oproepje in het personeelsblad voldoende was voor een waslijst aan opzeggingen.’
Gisterenmorgen had ik de vrouw van een mij bekende Dupont-werknemer aan de lijn: ,,Jan is dood. Hij is nét geen 60 geworden. En nee, ik kan niet bewijzen dat ruim 30 jaar werken bij DuPont daarvan de oorzaak is, maar het valt me wél op dat er op de Essenhof al héél veel van zijn collega’s liggen, die hun pensioen nooit gehaald hebben. Dáár moeten jullie nou eens induiken als krant.’’
Als ik ophang herinner ik me een gesprek met Jan. Dat was bij de fietsenstalling van DuPont, toen ik daar net weer eens ‘op audiëntie’ was geweest. ,,Hé jochie, je hebt toch niet te veel lopen zeiken hè, daar binnen? Het is wél onze boterham hoor.’’

Advertenties